Reisverslag 09          Islamabad (Pakistan, 15-09-2000) t/m Gilgit (Pakistan, 01-10-2000)

De volgende dag (donderdag 15 september) wilde ik dan eindelijk vertrekken naar het noorden. Doordat ik reeds langere tijd op de camping in Islamabad verbleven was had ik moeite om op gang te komen, zodat ik pas tegen de middag mijn koffers begon te pakken. Tijdens het pakken ontdekte ik dat een steun waarmee de koffer aan het frame hangt nogal verbogen was en dus wilde ik deze recht slaan. Er bleek echter een 5 cm scheur in het alu-plaatwerk te zitten zodat dat eerst gerepareerd moest worden nu ik nog in de hoofdstad zat waar de meeste faciliteiten aanwezig waren. Vandaag was het echter reeds te laat om nog actie te ondernemen.
De volgende ochtend reed ik samen met Gion, de Zwitser die nog steeds elke dag naar het postkantoor ging om te kijken of zijn pakket reeds aangekomen was, naar Rawalpindi, naar de motorzaak waar Hartmund zijn Enfield uit elkaar had laten halen. Omdat het vrijdag was was de zaak gesloten maar ik wist nu war de zaak gevestigd was zodat ik er morgen alleen heen kon rijden. Een tweede motorzaak, ook in Rawalpindi bleek eveneens gesloten te zijn. We besloten om per motor Islamabad maar eens te gaan bekijken want daar hadden we, ondanks dat we al bijna een week op de camping stonden, nog niets van gezien.
Nu was er niet zo heel veel te zien aangezien Islamabad een jonge stad is van slechts 40 jaar oud en gebouwd aan de hand van een zorgvuldig opgezet plan. Ik had daardoor zo mijn twijfels over de stad aangezien hetzelfde gebeurd was met Brasilia in Brazilië wat ik een foeilelijke betonbak vond. Nu heeft Islamabad uiteraard ook veel beton maar dat is niet zo zichtbaar aangezien elk hoekje van een gebouw gebruikt wordt om er een verkoopstalletje in te richten zodat het beton minder zichtbaar is. Ook leeft deze stad veel meer doordat er mensen gewoon leven en werken. Nu gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat het weer enorm slecht was toen we in Brasilia waren dus dat hielp niet echt om een positieve indruk op me achter te laten.
Als eerste werd de grote Shah Faisal moskee bezocht die 74.000 moslims kan herbergen, niet allemaal binnen maar ook op de binnenplaatsen. Als je zo’n grote moskee dient te bouwen dan kom je er natuurlijk niet omheen om beton te gebruiken maar toch was ook dit niet een lelijk blok beton maar om nu te zeggen dat het veel sfeer had... nee. Vevolgens naar de een uitzichtpunt in de heuvels ten noorden van Islamabad. Daar valt goed op hoeveel groen de stad eigenlijk heeft. Behalve de Shah Faisal moskee vallen er weinig gebouwen te herkennen. Tot slot reden we naar het Rawal stuwmeer waar we wat gedronken hebben om bij te komen van de hitte.
Zaterdag ben ik dan alleen terug gegaan naar de motordealer. Zelf had ik het probleem ook eens goed bekeken en het lassen van het aluminium was waarschijnlijk onmogelijk hier (te speclalistisch). Het beste was om een extra plaat aan de buitenzijde van de koffer te plaatsen die dan met de 16 bouten van de steunen voldoende stevigheid moest bieden. Als ze dan toch aan de slag gingen dan konden ze gelijk beide koffers van een verstevigingsplaat voorzien. Eerst werden alle steunen verwijderd en de maten van de beide platen opgenomen en werd er iemand op uitgestuurd om de platen in te kopen. Intussen werd de koffer uitgedeukt en glad gemaak. Toen de platen kwamen werden deze passend gemaakt en de linker koffer gaf wat extra werk aangezien er een uitsparing voor de uitlaat in geknipt moest worden. De gaten werden afgetekend en geboord waarna de stalen plaat met de bouten van de steun bevestigd werden. Tot slot werd als extra een vijftal gaten door de koffer en de plaat geboord waar popnagels in gingen voor extra stevigheid. Kijken of alles paste, en met nog kleine aanpassingen paste het perfect. Gelijk heb ik de bout van de rechterspiegel recht laten buigen wat bij de lokale smid gebeurde. Al met al zo'n 4 uren werk en de kosten bedroegen slechts Rp 300,- (NLG 15,-). Daar kun jezelf niet voor aan het knoeien gaan.
De motor is nu weer helemaal in orde om de etappe naar het noorden, de bergen in, aan te vangen, de berijder had aanzienlijk meer problemen om de reis aan te vangen. De volgende dag wilde ik beginnen met pakken maar moest eerst nog enkele inkopen doen en aangezien het zondag was waren alle shops niet geopend. Daarnaast had ik nog allerlei kleine zaken te doen: dagboek bijwerken, de kaarten verstevigen ed. zodat ik besloot om de dag te blijven en de volgende ochtend vroeg te vertrekken. Gion was blij met mijn beslissing om nog een dag te blijven en ook Claudio en Sabine bleven, noodgedwongen omdat Claudio aan de diarree was.
In de namiddag arriveerde er een Encounter Overlandtruck op de camping, dezelfde organisatie waarmee ik mijn reis door Zuid-Amerika gemaakt had. Veel had er zich de afgelopen 2 jaar nog niet gewijzigd, en alhoewel ik het toen wel leuk vond om zo te reizen was ik nu blij dat ik op de motor was en geheel mijn eigen gang kon gaan.
Dat 'vroeg' de volgende ochtend werd niet gerealiseerd en na alle inkopen gedaan te hebben vertrok ik pas rond het middaguur, op weg naar Murree over een tolweg die goed berijdbaar was en flink steeg tot 2500 meter. In Murree miste ik de afslag naar Abbottabad en reed richting Muzaffarabad, een weg die waarschijnlijk versperd zou zijn maar toch de moeite waard was. En inderdaad, toen ik de Jhelum grensrivier met Kashmir overstak werd ik bij een controlepost aangehouden en aangezien ik geen permit had werd ik weer teruggestuurd en moest terug naar Murree. De weg naar Abbottabad was snel gevonden en het eerste stuk was vol met wegwerkzaamheden maar daarna was het een goede weg waar je met een flinke snelheid omlaag kon slingeren. Dat moest ook wel aangezien het reeds begon te schemeren toen ik in Abbottabad aan kwam en in een hotel in het centrum van het dorp mijn introk nam. Er liep een gallerij rond alle kamers waar je ook kon zitten, genietend van het straatleven beneden. In een lokaal tentje flink wat vlees gegeten voor geen geld, al zat er dan geen groente bij.


De Kaghan-vallei
Dinsdag 13 september 2000 was ik reeds vroeg wakker en aangezien er in het hotel niet onbeten kon worden en op straat alles nog gesloten was ben ik dus vroeg vertrokken en heb ontbeten bij een wegrestaurantje en vervolgens doorgereden naar Mansehra. Hier zag ik de afslag naar de Kaghan-vallei die over de Babusarpas voerde. Een mooie maar moeilijk te berijden pas, vooral psychologisch aangezien de weg zeer smal is en de afgrond heel diep. Of ik er overheen kwam wist ik niet, eenvoudig proberen en zien hoe ver ik kon komen. Na Balakot werd de weg smaller en bochtiger. Overal werd er aan de weg gewerkt en vrij veel was reeds geasfalteerd. Naarmate je verder de vallei inkwam werden de onverharde stukken steeds langer.
Reeds sinds mijn vertrek uit Islamabad was het weer omgeslagen. De lucht was zwaar bewolkt en enkele wolken waren zelfs gitzwart. Maar het bleef wonderbaarlijk genoeg droog. Totdat ik vlak voor Kaghan was en het iets begon te regenen. Op de onverharde stukken glibberde ik al af en toe en dat terwijl ik nog relatief vlak door de vallei heen reed. Als ik de pas op ging zou het alleen nog maar erger worden. Dus besloot ik om te keren. De regen bleek niet lang aan te houden maar ik reed toch weer terug naar Mansehra en vervolgens noordwaarts richting Thakot over de Karakoram highway. Batagram passeerde ik vroeg in de middag en besloot door te rijden naar Thakot waar ik tegen de schemering aan kwam. Het bleek een veel kleinere plaats te zijn dan verwacht dus had het geen hotels en bij de wegrestaurants kon ik niet overnachten. Na bij 3 wegrestaurants geeigerd te zijn gaf ik het op en besloot ik, mede doordat het niet het veiligste gebied was om 's nachts te verblijven, om de resterende 30 km door te rijden naar Besham waar verschillende hotels waren. Dit hield wel in dat ik in het donker langs de Inusrivier moest rijden, iets wat ik helemaal niet wilde maar door alle weigeringen wel toe gedwongen werd. Gelukkig was er weinig verkeer op de weg zodat deze reis nogal mee viel.
's Nachts regende het nog heel flink waardoor mijn beslissing om in de Kaghan-vallei om te keren een goede was gebleken. De volgende etappe zou mij naar Nanga Parbat brengen, een berg van 8126 meter, waar ik enkele dagen wilde rondtrekken te voet. Vanaf Besham slingerde de Karakoram Highway (KKH) langs de Indusrivier door smalle valleien. Ondanks het feit dat het weer nog steeds zwaar bewolkt was was het toch mooi om doorheen te rijden, maar een klein beetje zon zou de boel toch wel mooier maken en vooral de besneeuwde toppen zichtbaar maken. Doordat de weg zo veel slingerde schoot het qua kilometers niet echt op en was ik pas rond het middaguur in Dasu waar ik ook nog eens een half uur opgehouden werd doordat men hoog boven de weg rots aan het weghakken was en de brokstukken op de weg vielen. Niet echt goed om het asfalt in een goede staat te houden maar daar bleek niemand zich zorgen om te maken. Na een half uur stopte men met hakken en wilde men met een bulldozer de weg schoon vegen, maar met de motorfiets hoefde ik hier niet op te wachten en mocht al over de stenen heen rijden.
De mooie besneeuwde toppen bleven in de wolken gevangen zodat ik mijn plan om naar Nanga Parbat te rijden maar liet varen, ook omdat ik nog geen vast omlijnde plannen had, en reed door naar Gilgit dat nog voor het donker bereikt moest kunnen worden. Dat lukte ook maar 35 km voor Gilgit begon het te regenen. Ditmaal geen enkele druppels maar een stevige bui die duurde tot aan Gilgit. Mijn regenvoering had ik niet in mijn jas en zat, door het fraaie weer van de afgelopen maanden, diep onder in mijn bagagerol en tegen de tijd dat ik die opgegraven had was ik reeds nat en mijn bagagerol ook zodat ik besloot door te rijden. Drijfnat kwam ik dan ook in het Madina Guesthouse aan waar ik na de motor geparkeerd te hebben snel droge kleren aan trok en enkele warme koppen thee nam om weer op temperatuur te komen.
De volgende dag was het weer niet veel beter: nog steeds zwaar bewolkt en af en toe flinke regenbuien. Kortom geen weer om verder te reizen en ik bleek niet de enige te zijn die er zo over dacht. De gehele dag heb ik eens gelezen wat er allemaal in de buurt te doen was en dat is niet genoeg, maar... allemaal activiteiten waar je minimaal 'redelijk' weer voor nodig hebt. Ik besloot om eerst door te rijden naar de Chinese grens (de Khunjerabpas op 4735 meter) en op de terugweg op enkele plekken te stoppen om trektochten van een dag te maken. Eenmaal terug in Skardu wilde ik me dan een rugzak huren en naar Skardu en Astor reizen per motor waar ik dan trektochten van enkele dagen maken kan. Tot zover de plannen, de realiteit was dat de volgende ochtend vroeg het water met bakken uit de hemel kwam vallen en dus werden alle plannen een dag uitgesteld. De dag doorgebracht met het me laten registreren (moet als je langer dan 1 maand in Pakistan wilt blijven) en het Internetcafé bezocht dat een eindje buiten Gilgit lag en zo een lekkere wandeling inhield, eindelijk wat 'inspanning' na 2 dagen niets doen. Toen ik het Internetcafé uitkwam bleek het stralend weer te zijn en dus had ik een heerlijke wandeling terug naar het hotel. Voor het eerst kon ik de besneeuwde toppen van de omliggende bergen zien. Lang duurde het echter niet en na enkele uren begon het al weer te miezeren zodat ik de rest van de dag heerlijk een boek heb zitten/liggen lezen. Toch was 2 dagen niets doen niet echt aangenaam, helemaal niet na een 'rustweek' in Islamabad zodat ik besloot om morgen te vertrekken of het moest nog slechter worden.

Een avontuurlijke hangbrug net buiten Gilgit
De volgende ochtend was het droog en zaten er blauwe gaten in de bewolking zodat ik besloot te vertrekken en ik was bepaald niet de enige; bijna het hele hotel liep leeg. Twee fietsers, een Duitser en een Spanjaard vertrokken eerder dan ik maar ook noordwaarts dus die kwam ik nog wel weer achterop. Nadat alles gepakt was en brood voor de lunch onderweg gekocht was ging ik op pad. Bij Gilgit de rivier over binnendoor naar Dainyor. Slechts enkele kilometers maar er zat een schitterende hangbrug in het stuk. Een smalle enkelsporige brug die met de nodige voorzichtigheid opgereden moet worden aangezien de brug zo'n 50 cm t.o.v. het asfalt heen en weer zwaaide. Ben je er eenmaal op dan moet je maar hopen dat er geen tegenliggers komen. Aan de overzijde eindigt de brug halverwege in een steile wand en de weg duikt direct een hele kleine tunnel in. Absoluut een schitterende belevenis.
In Dainyor draaide ik de KKH op naar het noorden en naar... een gitzwarte wolk! Eerst kwam ik de Duitser achterop en vervolgens kwamen er enkele druppels naar beneden maar gelukkig niet meer. Na mijn natte ervaring van afgelopen woensdag had ik nu de complete regenvoering in het motorpak geritst. Tegen de regen maar ook tegen de kou nu ik steeds verder in hoogte steeg. Even later haalde ik ook de spanjaard in en had ik verder geen 'oponthoud' meer dacht ik maar dat bleek helemaal fout te zijn toen ik even later de Landcruiser van de beide Oostenrijkers tegen kwam. Zij waren gisteren op de Khunjerab pas geweest, hadden overnacht in Sost en waren nu onderweg naar Gilgit. Even langs de weg staan kletsen en ook de Spanjaard voegde zich weer bij ons gezelschap. Al verder rijdend naar Karimabad werd het wel bewolkt maar de wolken werden steeds lichter. Ook werd het kouder en besloot ik in een theehuis enkele warme koppen thee te drinken en een extra T-shirt aan te trekken toen het begon te regenen en bleef regenen voor een half uur. Zodra het droog was vertrok ik en ik had nog geen 300 meter gereden toen Claudio en Sabine de hoek om kwamen zeilen. Dus weer gestopt en een update gekregen van de resterende weg. Ze hadden ook in Sost overnacht en wilden door naar de Chinese grens maar een grote aardverschuiving 10 km na Sost versperde de gehele weg en aangezien de stenen nog steeds omlaag kwamen rollen zag het er niet naar uit dat de weg weer snel vrij zou zijn en dus keerden ze om. In Sost was het zelfs de lokale bevolking nog niet bekend dat er een wegverperring was, maar men zou meteen materiaal aan laten rukken en morgen zou de weg weer vrij zijn. Ja, ja, zolang de stenen nog omlaag komen rollen kan er nog niet begonnen worden met het ruimen van de weg. Verder was erin Sost wel een tankstation maar die bleek geen benzine meer te hebben en dus moest ik hier de tank nog eens volgooien. Al kletsende begonnen er gaten in de bewolking te komen en kwam het zonnetje er zelfs door wat ons heerlijk opwarmde. Tevens werden de besneeuwde bergpieken zichtbaar. Kortom: ondanks Claudio's slechte nieuws werd het weer wel beter. Die gehele middag bleef het mooi weer en de bewolking klaarde steeds meer op waardoor de bergen beter zichtbaar werden en veel indrukwekkender.
Mijn plan om naar Sost te gaan liet ik varen en ging maar tot Passu waar ik 2 dagen wilde blijven om dagtrektochten te maken zodat de pakistani 'rustig' tijd hadden om de aardverschuiving op te ruimen. Passu is een heel klein dorpje maar heeft toch meerdere hotels. De sfeer is er heel gemoedelijk en het hotel waar ik verbleef was fraai ingericht en had bedden met dikke dekens omdat het er 's nachts flink afkoelt.
Hier is ook de koude douche echt koud en niet echt aan mij besteed (tot op heden bleek een koude douche een lauwe douche te zijn die ook wel goed beviel). Het diner moet je wel in het hotel nuttigen aangezien er geen andere plek was waar je eten kan. Het eten in het hotel was een collectieve maaltijd waar alle hotelgasten gesamelijk aten en was echter absoluut niet slecht, sterker nog het was lekker, vrij westers met zelfs aardappelen en ook de hoeveelheid was toereikend. De sfeer was gezellig mede doordat de gehele avond er geen elektriciteit was en het diner met een gaslamp en kaarsen verlicht werd.

Alleen geschikt voor 'Indiana Jones'-types!
De volgende ochtend (zondag 24 september) was het goed weer: licht bewolkt maar de zon scheen zelfs al. Ik wilde de 'bruggen'-route hier gaan lopen die tweemaal over de Hunzerivier voerde. Alles gepakt, inclusief de lunch voor onderweg en ondanks het mooie weer toch het regenpak aangetrokken want het was ijskoud. De paden zijn niet goed gemarkeerd dus af en toe was het even zoeken naar het juiste pad maar veel problemen gaf dit niet zodat ik al snel langs de Hunzarivier liep richting de brug die reeds van verre zichtbaar was. In de steile rotswand was een heel smal stukje horizontaal gehakt dat was het pad was wat vaak smaller dan 50cm bleek te zijn; dus een echt avontuurlijk pad. Het hoogtepunt was echter de brug, dat was even twee keer slikken toen ik hem zag. 5 kabels waren over de rivier gespannen zijde de bodem. 2 extra kabels waren hoger gespannen zodat je daar je met de handen aan vast kon houden. Op pasgrootte afstand waren er planken en stokken door de bodemkabels geweven waar je je voeten op kon zetten. De kwaliteit van de planken en stokken zag er niet altijd even betrouwbaar uit. Maar toch besloot ik om een poging te wagen. Het ging niet snel maar gaanderweg kreeg ik meer vertrouwen en redde het om aan de overzijde te komen. Vandaar een klimmetje naar een vallei en vervolgens naar een heel klein dorpje waar men overal bezig was aardappels aan het rooien en in zakken te doen. Deze zakken werden vervolgens per kruiwagen zover mogelijk richting een dorp aan de overzijde van de rivier vervoerd. Als het te steil voor de kruiwagen werd werden ze afgeladen en verder zak voor zak op de rug langs een smal pad (dat ik ook volgde) naar de tweede hangbrug vervoerd en er over gedragen.

Je vraagt je af waar deze schapen van leven
Deze tweede brug was nog iets moeilijker dan de eerste kabelbrug aangezien de kabels aan de rechterzijde iets slapper hingen dan aan de linkerzijde en zodoende alle planken en stokken iets schuin afliepen. Verder waren, volgens mij, de afstanden tussen de stokken iets groter als bij de eerste brug en hing direct naast de brug een oude grotere kabelbrug die helemaal kapot was. Losse balken hingen aan afgebroken staalkabels wat natuurlijk je ook niet echt veel vertrouwen geeft in de brug waar ik overheen moest. Maar ook deze brug werd zonder problemen genomen en ik begon er zelfs lol in te krijgen zodat ik er aan zat te denken om nog een keer heen en weer te gaan, maar heb dat toch maar niet gedaan. De route (nou ja route, vaak moest je gewoon op de gok over de stenen lopen en dan ineens zag je ergens het pad weer) liep terug naar de KKH maar ik besloot om een omweg naar het Borit meer te nemen en dan door een vallei terug te lopen naar Passu. Naar het meer was een hele klim en ik was dan ook blij dat er een restaurant was waar ik thee kon drinken en mijn meegenomen lunch kon verorberen. De weg liep zo lekker steil omhoog dat ik besloot dit zandpad ook nog eens per motor te gaan bedwingen. Samen met twee Japanners die ook onderweg waren naar Passu ben ik door een vallei naar Passu teruggelopen. Onderweg kwamen we langs de Passu-gletsjer waar we van bovenaf een mooi uitzicht op hadden. Het pad omlaag naar de KKH misten we blijkbaar want ons pad ging heel steil omlaag door mul zand en we kwamen uit bij enkele weilanden met gestapelde stenen ommuurd. Vanwege de doornige struiken rondom het weiland moesten we wel door de weilanden en zo kwamen uiteindelijk op de KKH uit, na aanwijzingen van de bewoners die in een klein stroompje kleren aan het wassen waren. De dagtrip had mijn linkerknie geen goed gedaan, vooral tijdens de afdaling had deze knie klappen gekregen en was gevoelig geworden. Mijn idee was om morgen een andere dagtocht te gaan maken maar toen ik hoorde dat de aardverschuiving naar de pas geruimd was (er was een kolonne Chinese vrachtwagens door Passu gekomen) en om mijn knie wat rust te gunnen besloot ik om morgen naar de Khunjerab pas te rijden.

De weg wordt weer begaanbaar gemaakt
Wederom was het stralend weer zodat ik na een vroeg ontbijt dik aangekleed op de motor stapte en noordwaarts reed. Het weer was, zo vroeg in de ochtend zelfs al, heel helder zodat bijna alle bergtoppen, al dan niet besneeuwd, goed te zien waren. 10 km na Sost stond er echter een kleine file langs de weg. Shit, de aardverschuiving had de weg weer geblokkeerd. Men was echter al druk bezig om de boel te ruimen. Probleem was echter dat er af en toe nog steeds stenen omlaag kwamen rollen. Een militair met een bouwhelm op hield de helling continu in de gaten en als hij éénmaal op een fluitje blies dan moest de bulldozer even stilhouden want dan rolden de stenen voor en/of achter hem langs en als hij vaak achter elkaar blies dan trok de bulldozer zich helemaal terug totdat de rust op de helling weer teruggekeerd was. De helling was de laatste 6 jaar de bottleneck van de KKH gebleken die elke keer weer de weg blokkeerde. Men had vlak om de hoek zelfs een klein onderkomen gebouwd waar permanent twee bulldozers geparkeerd stonden. Continu kwamen er stenen naar beneden en wat er nu geruimd werd was wat de afgelopen nacht omlaag gekomen was, een dagelijkse routine.
Na 3 kwartier was de weg weer vrij en ging de gehele kolonne één voor één langs de aardverschuiving heen. Eerst kijken of er geen stenen omlaag kwamen en dan zo snel mogelijk er langs. De weg slingerde vervolgens heerlijk langs de rivier door hele smalle kloven waar het een waar genot was om doorheen te rijden. Wel oppassen voor de onverwachte slagbomen over de weg wat een politiecontrole of de entree van het Khunjerab Nationaal Park in hield (en je USD 4 betalen moest).
De laatste politiepost had geen slagboom over de weg zodat ik er ook niet gestopt ben, achteraf had ik hier mijn paspoort af moeten geven. Na deze post, met een schitterend uitzicht in een vallei omringt met dik besneeuwde bergtoppen, ging de weg met haarspeldbochten omhoog. Hier kwam ik nog enkele fietsers achterop die in de kleinste versnelling trapten want om op 4500 meter steil omhoog te komen valt niet mee; nee dan had ik het op mijn motor een stuk gemakkelijker. Bovenop de pas versperde een slagboom mij de doorgang; einde vande KKH voor mij. Vlak na mij arriveerde er een Duitser in een gehuurde jeep. De slagboom was niet de eigenlijke pas, die lag zo'n 250 meter verderop en was alleen lopend te bereiken. Tegelijk met mij kwam er een Pakistaanse grenswacht van de andere zijde van de slagboom aan rijden, parkeerde zijn brommertje en we kwamen aan de klets. Hij wilde de Duitser wel achterop zijn brommer naar de eigenlijke pas (is tevens de officiële grens) brengen maar hij kreeg zijn brommer niet meer gestart. Ik bood voor de gein aan om hem te slepen maar dat was niet nodig; als ik de Duitser achterop meenam dan mocht ik met de motor naar de grens rijden, wat ik mij geen tweemaal liet zeggen. En zo stond ik dus met de motorfiets in China, al was het dan niet voor lang. Foto's genomen van de omgeving waarbij de Pakistaanse zijde veel fraaier was dan de Chinese zijde.

De chinese grens: verder ging deze weg niet voor mij
Op de grens arriveerde de eerste fietser die ik ingehaald had en dat bleek een Vlaming te zijn onderweg naar Kashgar in China. Daar keerde hij dan per bus weer terug naar Islamabad. Door het oponthoud bij de aardverschuiving kwam iedereen bijna gelijktijdig bij de grens aan zodat het er wel druk was, maar door het koude weer keerden de meesten al snel weer om naar lagere hoogten. Ik besloot om bij de slagboom te gaan lunchen en heb volop genoten van de serene rust en het schitterende uitzicht. Om half 3 begon ik aan de afdaling in een heel kalm tempo zodat ik volop tijd had om van de omgeving te genieten en om foto's te maken. Terug bij de aardverschuiving bleek deze tot rustgekomen te zijn en kon ik er probleemloos langs. Voorbij de aardverschuiing de motor geparkeerd en een appel gegeten toen ineens er vele stenen naar beneden kwamen en ik voor de zekerheid de motor maar enkele tientallen meters verderop parkeerde. Na Sost kwam er steeds meer bewolking en toen ik terug was in Passu zat de hele lucht dicht.
's Avonds kreeg ik gezelschap op de slaapzaal, die ik tot dan toe voor me zelf had gehad, van een andere Nederlander die uit China kwam en daar enkele jaren gewerkt had in Shanghai. Ik bleek, achteraf, de perfecte dag uitgekozen te hebben om naar de Khunjarabpas te gaan want 's ochtends bleek het lichtjes te regenen en was het zo zwaar bewolkt dat ik de bergen aan de overzijde van de rivier helemaal niet meer zag. Dus maar rustig aan gedaan en besloten om vandaag naar Karimabad te gaan. Met de motor ben ik eerst omhoog gereden naar het Borit meer waar een serene rust heerste en ik onder genot van enkele koppen thee aan mijn reisverslag heb gewerkt.
Om één uur vertrokken naar Karimabad wat slechts 60 km rijden was maar ik raakte wel een regenbui verzeild. Gelukkig had ik nu wel mijn regenvoering in het motorpak gedaan, dus was er niets aan de hand. Karimabad ingereden op zoek naar een hotel waar ik de motor fatsoenlijk parkeren kon. Doordat het dorp op een richel ligt zijn de hotels een stuk lager dan de weg gebouwd waardoor het onmogelijk is om achter of naast een hotel te parkeren. Terwijl ik door het dorp reed kwam ik al weer allerlei bekenden tegen en bleef even staan praten. Geen probleem overigens aangezien de regen al opgehouden was en de zon zelfs tevoorschijn gekomen was. Uiteindelijk vond ik een plek in de Garden lodge waar mijn motor op een kleine parkeerplaats aan de overzijde van de straat kon staan. Alhoewel Karmibad groter was dan Passu was er ook hier niet veel te doen 's avonds. Het aantal restaurants viel enorm tegen gezien de hoeveelheid toeristen die blijkbaar voornamelijk in hun eigen hotel aten. Uiteindelijk vond ik er één en heb er lekker een traditionele Hunzamaaltijd gehad wat veel leek op Nederlands eten al was het alleen maar omdat ze veel aardappels eten. Toen ik wilde vertekken uit het restaurant kwamen de beide Tsjechische motorrijders binnen. Ze waren vandaag naar de Khunjerabpas geweest en hadden slecht weer gehad: zware bewolking waardoor er van de omringende bergtoppen niets te zien was geweest en het had onderweg zelfs gesneeuwd waardoor de weg spekglad was geworden. Toch hadden ze de top van de pas gehaald maar waren direct omgekeerd omdat het er ijskoud was. Nogmaals realiseerde ik me hoeveel geluk ik gehad had.
De omgeving van Karimabad was de volgende ochtend aan de beurt om verkend te worden. Het was mooi weer: zonnig met slechts een klein wolkje aan de lucht. Ik liep via de begraafplaats naar Altit, een klein dorpje vlakbij Karimabad. Niet over de 'hoofdweg' maar al dwalend over smalle paden tussen de akkervelden door. Toen ik door Altit gelopen was ben ik op een steen gaan zitten genietend van het uitzicht op het fort en het dal waar de Hunzarivier doorheen stroomde. Aan de rand van de kloof was een oude man bezig appels van de boom te plukken, of beter gezegd te hengelen. Hij had een stok waaraan hij een klein emmertje bevestigd had en zo kon hij de appels van de boom hengelen die over de rand van de kloof aan de boom groeiden. Toen hij de mand gevuld had schreeuwde hij naar mij of ik een appel wilde. Dat wilde ik wel en dus liep ik door het akkerland naar hem toe en kon een appel uit de mand nemen. Vervolgens pakte hij nog eens 8 appels voor in mijn rugzak. Hoe ik die allemaal op moest eten wist ik niet maar het was een heel aardig gebaar. Hij vertelde me dat het fort te bezichtigen was en na enig zoeken had ik dan eindelijk de toegang tot het fort gevonden. Het fort was helemaal verlaten en ik had het voor mij alleen. Nadat ik in alle kamerjes rondgekeken had heb ik op het dak nog lang genoten van het uitzicht op de vallei en op het aangrenzende dorp waar op de daken van de huizen allerlei fruit lag te drogen in de zon.

De voet van de Ultargletsjer
Terug in Altit zag ik de motor van één van de Tsjechen staan. Zij wilden vertrekken naar Skardu via Gilgit en waren vanochtend naar het Eagles nest geweest, een hotel boven op de berg vanwaar je een schitterend uitzicht had op Karimabad, Altit en de omringende bergen. Slechts ruim een uur klimmen en aangezien ik wel wat oefening gebruiken kon ben ik daar maar heen gelopen. Het uitzicht was er inderdaad schitterend mede doordat alle bewolking verdwenen was en alles zonovergoten was. Op de top kwam ik Jordi, de Spaanse fietser, weer tegen en hij had de tocht naar Ultar Meadow, die ik de volgende dag wilde gaan doen gisteren gemaakt maar eerlijk gezegd vond hij de tocht naar het Rakaposhi basiskamp mooier. Nou misschien dat ik die tocht ook nog ging maken. Ik wilde niet dezelfde weg terug lopen en vroeg of er een pad direct naar Karimabad liep wat inderdaad het geval bleek te zijn. En na de nodige uitleg ging ik op pad. Al snel was ik het pad kwijt en liep wat op de gok verder toen ik een oude man ontmoette die mij de juiste weg wees. Hij zelf ging, met een lading gras op de rug, ook naar Karimabad zodat ik maar achter hem ben blijven lopen. En dat was maar goed ook want een echt pad was er helemaal niet. Over stenen en irrigatiekanelen lopend daalden we langzaam af. Zelf had ik deze weg nooit gevonden en was blij dat ik de man als gids gebruiken kon zodat ik nog ruim voor het donker werd in Karimabad terug keerde.

Een lawine komt op ons af!
Met Wolfgang, een Duitser die bij mij op de kamer sliep, had ik besloten om de volgende dag naar de Ultargletsjer te gaan lopen wat een hele klim van ruim 3 uur zou moeten zijn. Dus hadden we voldoende water en eten ingeslagen en de nodige kleding voor de mogelijke verschillende weersomstandigheden. Toen het de volgende ochtend een stralende dag bleek te zijn, zelfs vroeg in de ochtend waren er slechts enkele kleine wolkjes, hadden we geen moeite om uit bed te komen. Na een matig ontbijt in het hotel (koste niet veel maar was ook niet veel) begonnen we aan de klim. Het pad liep een nauwe vallei in, de rivier omhoog volgend en ging steeds steiler omhoog. Al snel was het pad verdwenen en klommen we over de rotsen. Verdwalen was echter onmogelijk aangezien het een smalle vallei was. Na anderhalf uur klimmen bereikten we eengrasvlakte waar een klein hutje stond waar thee ed. verkocht werd. Dit was nog niet ons eindpunt, dat was de volgende weide (Ultar Meadow) van waar je een mooi uitzicht op de gletsjer had, maar dat was nog een klein uurtje klimmen. Tegen 11.30 uur bereikten we deze weide (waar ook weer een klein 'theehuis' stond) en hebben daar onze meegenomen lunch verorberd. Na een uur rust zijn we nog iets verder geklommen tot aan de voet van de gletsjer en hebben genoten van zijn grootsheid waarna we weer aan de afdaling begonnen. De afdaling was een stuk gemakkelijker dan de klim en waarschijnlijk doordat ik nu voorzichtiger liep had ik ook geen last meer van mijn knieën. Toen we het 'theehuis' halverwege de helling naderden, zagen we achter ons een grote witte wolk achter de bergwand te voorschijn komen die heel snel groter werd. De wolk werd veroorzaakt door een lawine op/rond de gletsjer; die we niet meer konden zien. De wolk kwam zo snel op ons af dat we heel snel enkele foto's namen om vervolgens snel achter een grote steen dekking te zoeken. Toen de wolk ons bereikte kon ik nog net mijn regenjas om me heenslaan (aantrekken lukte niet meer) voordat het ijs begon te regenen, het was dus als een hagelbui. Dit duurde zo'n 5 minuten en toen was de lucht weer helder, alsof er niets gebeurd was. We waren wel iets nat geworden dus snel afgedaald naar het 'theehuis' om met thee weer op temperatuur te komen. Daar bleek dat dit soort lawines vaker voorkwamen vooral als de zon fel op de gletsjer scheen nadat er verse sneeuw gevallen was. En dit bleek nog helemaal geen grote lawine geweest te zijn. Nou voor ons was hij groot genoeg en een heel onverwacht extra toetje aan de gletsjertrip. Terug in Karimabad had men niets van de lawine gemerkt, de wolk had dus Karimabad niet bereikt.
De tocht naar Ultargletsjer was best wel inspannend voor de benen geweest, vooral voor iemand die hele dagen op een motor zit of niets doet en daarom werd er een rustdag ingelast. Nou niet helemaal, vrijdag 29 september wilde ik doorrijden naar Minapin was slechts 50 km van Karimabad verwijderd was. Pas na de middag ben ik vertrokken en aangezien ik tijd genoeg had ben ik eerst een kleine vallei ingereden naar Nagar. Even voorbij dit dorpje had je een mooi uitzicht op enkele besneeuwde bergtoppen. Ik heb daar enkele foto's van gemaakt en ben vervolgens terug gereden. Ook al omdat ik niet al te veel benzine meer had en in Aliabad nodig moest tanken. In Aliabad echter bleken ze geen benzine meer te hebben (maar wel diesel), daarvoor moest ik nog 30 km verder rijden. Aangezien dat echter voorbij Minapin lag ben ik daar niet heen gereden maar heb de afslag naar Minapin genomen wat wederom enkele kilometer off-road rijden inhield. Minapin is een heel klein gehucht met slechts enkele huizen en een paar hotels waarvan ik Dirans Guesthouse uitkoos op aanraden van Jordi. Een oase van rust vergeleken met de heksenketel in Karimabad. Heerlijk op het terras in een grote tuin gezeten genietend van de enorm indrukwekkende bergtoppen rondom en van de zon. Energie opdoen voor de trek naar het Rakaposhi basiskamp dat voor de volgende dag op het programma stond. Volgens Jordi die ik in Karimabad weer tegen kwam was de tocht moeilijker en zwaarder dan de tocht naar Ultar Meadows maar ook veel mooier.

Een ansichtkaart tafereel in het echt!
Voor 6 uur 's ochtends was ik reeds wakker en besloot om op te staan. De spullen gepakt en in het hotel ontbeten. Om half 7 ben ik vertrokken voor de lange klim naar het Rakaposhi basiskamp. Iemand van de het hotel hielp me het juiste pad aan te wijzen naar de brug maar verder moest ik het alleen doen. Na de brug ging het pad echt steil omhoog zodat ik voetje voor voetje omhoog kroop. Na een hele lange steile klim liep het pad (eindelijk) iets vlakker, maar niet voor lang waarna het weer steil omhoog ging. Om half 10 kwam ik in Hakapun aan, een klein stuk vlak weidegrond waar een tent stond waar je wat te drinken of te eten kon krijgen. Ik was verrast 3 uur voor de klim gebruikt te hebben, ik had helemaal niet het gevoel dat ik er zo lang over gedaan had dus dat was een goed teken. Bij de tent zat ook een Zweed die overnacht had in het basiskamp en mij wist te vertellen dat het steilste deel van de tocht nog voor mij lag, dus snel maar weer op weg. Ik werd de vallei in gewezen maar daar bleek geen pad omhoog te lopen, althans ik kon hem niet vinden. Dus maar op de gok omhoog gelopen want ik wist dat achter de kam de gletsjer liep. De weg die ik omhoog wilde volgen bleek hoofdzakelijk uit losse stenen te bestaan waardoor het goed uitkijken was waar je je voeten neerzette. Daarnaast was de helling eerst goed te beklimmen maar steeg hij nabij de top tot over de 45 graden! Met de top bijna bereikt was het telkens enkele meters lopen en vervolgens even stoppen om uit te hijgen. Toen ik uiteindelijk de kam bereikt had ben ik even gaan zitten om van het schitterende uitzicht over de gletsjer te genieten en tegelijkertijd op adem te komen. De gletsjer was een mix van ijs en steen en geen vlakte maar een grillig geheel van steile hoge toppen en diepe gaten. Ik moest echter nog verder lopen en dat viel over deze steile kam niet mee, aan beide zijden liep de helling onder 45 graden diep omlaag liep en aangezien ik zeker niet in de gletsjer terecht komen wilde liep ik aan de andere zijde. Gelukkig vond ik snel een pad wat toch een heel stuk ontspannender liep. De rest van de tocht was een peuleschil in vergeljking met de reeds afgelegde weg, alleen moesten er nog enkele smalle paden langs een steile rotswand genomen worden maar toen kwam ik dan in een groene weide terecht waar na zo'n 400 meter lopen ik bij het Rakaposhi basiskamp aan kwam.

Uitzicht over de gletsjer vanaf Rakaposhi basiskamp
Daar ben ik eerst een dutje gaan doen om mijn benen wat rust te geven want die waren daar hoog nodig aan toe. Na een half uurtje ben ik de klein richel naast het kamp opgeklommen en had van daar een perfect uitzicht over het de Rakaposhi (7788m) en de Diran (7257m). Het ijs dat van de hellingen af kwam verzamelde zich in een vallei en schoof vervolgens als een gletsjer het dal in. Het weer was perfect: de lucht was onbewolkt en af en toe een licht briesje dat over de gletsjer naar mij toe woei en dus koud aanvoelde. Ook zag je van de toppen af en toe wolkjes komen doordat er sneeuw van de berg geblazen werd.
Na ruim een uur genieten werd het weer tijd om verder te gaan aangezien ik nog helemaal naar Minapin terug wilde lopen. Na nog een afsluitende kop thee begon ik om 13.30 uur aan de afdaling. Omdat ik geen zin had om langs detzelfde steile 'weg' met losse stenen af te dalen volgde ik het pad naar beneden dat lang niet zo steil was maar wel langer. Op dit pad kwam ik de beide andere toeristen (een Engelsman en een Australiër) tegen die vandaag ook vanuit het hotel vertrokken waren maar zij wilden in het basiskamp overnachten dus konden het veel rustiger aan doen. Om drie uur was ik terug in Hakapun en heb daar nog een kop thee gedronken voor ik aan de laatste etappe van de afdaling begon. Het eerste deel was een heerlijk ontspannen wandeling en ook de laatste afdaling viel mij enorm mee. Terug in het hotel was ik wel moe maar gezien de zware tocht van vandaag viel het mij nog enorm mee.
Voorlopig had ik genoeg gewandeld en was het tijd mijn benen wat rust te gunnen dus dan stap je maar op de motor en rijd terug naar Gilgit waar ik mij kon voorbereiden op de tocht naar Skardu maar hoofdzakelijk op de reis van Skardu naar Astor. Eenmaal op weg werd ik met de neus op de feiten gedrukt: de tank was bijna leeg. Pas vlak voor Chalt kon ik tanken. Ik had 470 km gereden met een tank zonder dat het reservelampje was gaan branden en dat terwijl deze normaal na zo'n 300 km gaat branden! En dan denk je dat de Pakistaanse benzine van slechte kwaliteit is. Oké, in de bergen heb ik ook langzaam gereden.