Reisverslag 10          Gilgit (Pakistan, 02-10-2000) t/m Gilgit (Pakistan, 16-10-2000)

Mijn reis naar Skardu begon om 7 uur in de ochtend. Ik was de enige in het hotel die op was. Alhoewel alle bedden in gebruik waren was de helft onbeslapen. Buiten op de veranda lag de rest te slapen in stoelen of op de bank. Tijdens het pakken van de motor liep er ineens iemand rond die op mijn verzoek het 'restaurant' opende, maar er was geen brood en ook bleek er geen melk te zijn. Snel werd een ander wakker gemaakt die er per fiets op uittrok voor de inkopen.


Rustig wachten totdat de aardverschuiving in de rivier geschoven is
Om 9 uur kon ik eindelijk vertrekken, eerst nog langs het registratie kantoor om me uit te laten schrijven. Het registreren is een heel vaag geheel en ik geloof dat niemand weet hoe het op dit moment precies functioneert. In theorie moet je je in elk district laten registreren en bij vertrek uitschrijven en elders weer inschrijven enzovoort. Nu heeft men blijkbaar eindelijk in de gaten gekregen dat dit systeem niet echt bevorderlijk is voor het toerisme dus zijn de regels versoepeld. Sommigen zeggen zelfs dat je je helemaal niet meer hoeft te registreren. Als tussenvorm registreren de meeste toeristen zich maar één keer. Mocht dan iemand naar de registratiepapieren vragen dan kun je in ieder geval iets tonen.
Bij de afslag van de Karakoram Highway (KKH) naar Skardu werd mij, na de brug, door de politie medegedeeld dat de weg geblokkeerd was t.g.v. een aardverschuiving en dat deze pas over 3 uur weer open was. Ik mocht rustig doorrijden naar de aardverschuiving waar reeds meerdere voertuigen stonden te wachten en heb ik rustig gekeken hoe de aardverschuiving langzaam de rivier in werd geschoven. Na 3.5 uur wachten kon ik er per motor langs en reed rustig verder totdat ik 5 km verderop moest stoppen voor een tweede aardverschuiving die veel groter was dan de eerste, dus reed ik weer terug. De aardverschuiving was opgeruimd en dus passeerden alle voertuigen nu de aardverschuiving. De FWO (de wegwerkers) gingen terug naar hun barakken en ik dus maar terug naar Gilgit, nu naar het Medina Guesthouse.
Aangezien ze wel langer dan een dag bezig zouden zijn met het opruimen van de tweede aardverschuiving, moest ik mijn plannen weer aanpassen en was ik nu van plan was om via Astore naar Skardu te rijden. Toen ik de volgende dag over de KKH reed en de afslag naar Skardu passeerde zag ik een hele lange rij vrachtauto's voor de brug staan. Deze konden nooit allemaal terug gekomen zijn en dus moest ook de tweede aardverschuiving geruimd zijn. Toen ik eindelijk de brug over kon (enkelsporige brug en slechts één voertuig gelijktijdig op de brug) bevestigde de politie mijn vermoeden. De weg was schitterend, en liep vlak langs de rivier, zat vol bochten en kleine stijgingen en dalingen zodat het rijden erover een waar genot was. Omdanks het feit dat de weg naar Skardu 'slechts' 170 km was deed ik toch ruim 5 uur over veel stoppend om van de omgeving te genieten en foto's te maken. Om goed 17 uur kwam ik in Skardu aan. Dat werd ook tijd want nadat de zon achter de bergen verdwenen was werd het snel koeler. In het hotel bleek ik de enige gast te zijn en heb ik in het hotel gegeten en de planning voor de komende dagen doorgenomen.

Je voelt je heel klein op de motor!
De volgende dag wilde ik naar Khapalu, verder oostwaarts, maar zodra ik de motor van de standaard haalde om te gaan bepakken merkte ik dat de achterband lek was. Er bleken maar liefst 2 spijkers in te zitten. Aangezien het mijn eerste lekke band was heb ik eerst de gebruiksaanwijzing doorgenomen en ben vervolgens met mijn reparatieset aan de gang gegaan, maar in plaats van dat ik de rubberen plug in de band trok trok ik de plug kapot. De andere zijde van de plug geprobeerd maar hetzelfde verhaal. De gebruiksaanwijzing nog eens doorgelezen maar ik kon niets fouts ontdekken. De 2e en 3e plug waren hetzelfde lot beschoren. Misschien was het rubber, dat luchtdicht verpakt was maar gescheurd was, zwak geworden. Een 4e plug geprobeerd maar ook die poging liep op niets uit. Inmiddels had ik wel bijna een tube cement aan de band zitten. Had ik even geluk dat ik in een dorp zat en dus heb ik het wiel maar gedemonteerd en naar een 'professionele' Pakistaanse bandenplakker gegaan die beide gaten binnen 30 minuten geplakt had (voor NLG 2.50) terwijl ik 2.5 uur aan het klooien geweest was voor niets. Lang leve de superieure westerse materialen. Ik heb direct maar wat extra plakkers bij hem gekocht. Nadeel is wel dat de band van de velg moet maar altijd veel beter dan een niet werkende methode.
Mijn planning moest dus direct aangepast worden en ging ik Skardu maar eens bekijken, iets wat niet echt veel tijd in beslag nam. 's Middags besloot ik naar Shigar te rijden, op een uur van Skardu. Het vinden van de brug over de Indus viel niet mee aagezien de kaart de brug veel te vroeg ingetekend had. Maar na enkele malen vragen vond ik de brug dan eindelijk. Na de brug kwam ik direct in het mulle zand van de rivierbedding terecht. Heuvel op door het mulle zand viel niet mee en als je dan ook nog een haarspeldbocht voorgeschoteld krijgt ga je wel even zweten, maar zonder problemen kwam ik de bocht om. Vervolgens een lang recht stuk door het mulle zand wat lekker reed gevolgd door een lang en bochtig bergweg vol met stenen, dus rustig en geconcentreerd rijden. Maar wel met enorm veel plezier. In Shigar zou een paleis moeten zijn maar ik kon dat vanaf de weg niet zien en het kon me eigenlijk ook niet zoveel schelen, het rijden zelf was veel leuer. Dus ben ik gekeerd en dezelfde weg naar Skardu terug gereden. De testrit was goed bevalleen en de band was goed geplakt! Morgen wilde ik verder oostwaarts naar Machulu en besloot dus de tank nu nog vol te gooien. Pas bij het vierde benzinestation had men benzine. Ik weet nu waarom iedereen hier op diesel rijdt.
De weg naar het oosten vanuit Skardu was nog steeds geasfalteerd al werden de onverhardde stukken wel steeds langer en slechter. Het weer was zwaar bewolkt maar het bleef droog. Khapalu liet ik rechts liggen en ging over een hangbrug de Hushe vallei in. Aan het eind van de vallei zou je de piek van de Masherbrum (7821m) moeten kunnen zien maar dat was onmogelijk met deze bewolking. Gelijk na de hangbrug ging het door de rivierbedding. Ditmaal geen mul zand maar over flinke keien. Langzaam stuiterde de motor over de stenen, ik niet want ik was gaan staan wat enorm helpt. Na één km was ik door de rivierbedding heen en werd d.m.v. een bord gewezen op een klein Nederlands onwikkelingsprojectje: het locale irrigatiekanaal was op onze kosten aangelegd.

De motor wordt met spanbanden bijeen gehouden
De weg de vallei in was smal en heel veelzijdig. De stenige weg werd met mul zand afgewisseld en ook grote plassen water stonden er op het pad waarbij het ook nog steeg en daalde. Machulu had ik snel bereikt en besloot door te rijden naar Hushe, aan het einde van de vallei. Zo'n 15 km voorbij Machulu gleed mijn achterwiel in een bocht om een onduidelijke reden weg en lag de motor op zijn linkerkant. De valbeugel was verbogen en de 4 bouten waarmee het aan de onderzijde bevestigd was waren afgebroken. Dat wil zeggen: deze bouten zijn d.m.v. een laag rubber lichtelijk flexibel gemaakt en het rubber was doormidden gescheurd. Je kunt een hele discussie beginnen over het feit of een valbeugel in rubbers opgehangen moet worden maar daar zal ik verder maar niet over uitwijden. Verder was ook de bovenste bevestigingsbout van de valbeugel losgekomen maar dat kwam doordat deze bout dolgedraaid was, iets dat ik in Nederland reeds geconstateerd maar niet verholpen had en nu de prijs voor moest betalen. Verder was de rits waarmee de tanktas op de tankhoes geritst is afgebroken; het plastic beginstuk was afgebroken en dus 'scheurde' de rits telkens open. Ook was nu de linker plastic cilinderbeschermer afgebroken waardoor ze nu aan beide zijden kapot zijn en ik ze maar verwijderd heb. Na de schade geanalyseerd te hebben besloot ik eerst maar wat te gaan eten en heb vervolgens de tanktas vastgezet met een spanband. Lang leve de uitvinder van de spanbanden!, al had ik ze eigenlijk meegenomen om mijn motor op veerboten vast te zetten maar op de veerboten tot nu toe heb ik ze nog niet gebruikt. Alles vast gesjord dus kon ik vertrekken; weer terug naar Skardu om eerst de schade te laten repareren.
Toen ik vertrok viel mijn linkerkoffer van de motor na de eerste hobbel. De schroeven van een bevestigingssteun waren losgekomen. Waarschijnlijk zat deze steun minder goed vast tgv. De extra aangebracht stalen plaat waardoor de schroeven minder ver in de steun gedraaid konden worden. Dus ook mijn tweede spanband gebruikt om deze koffer vast te zetten, waarna de reis zonder verdere problemen voortgezet (of beter gezegd: terug gekeerd) kon worden naar Skardu. Eerst de boel in Skardu laten repareren want zo kon ik niet aan de trip over de Deosai hoogvlakte beginnen. Maar... de volgende dag was het de beroemde vrijdag, de dag waarop bijna niets gebeurd of mogelijk is. Officieel is het echter een gewone werkdag maar dit soort regeltjes uit Islamabad geldt blijkbaar niet in deze uithoeken en dus is hier op vrijdag (bijna) alles gesloten. Tevens regende het de volgende ochtend zodat op de Deosai hoogvlakte zeker zou sneeuwen wat mij nu zeker deed besluiten van deze trip (Skardu - Astore) af te zien. Daardoor moest ik weer terug naar Gilgit en kon dat dan beter maar vandaag nog doen. Dan kon ik mijn motor laten repareren in Gilgit, een grotere plaats met meer mogelijkheden.
De benzinepomp waar ik ruim een dag geleden nog getankt had werd ik nu ontvangen met een "petrol finish" mededeling en dus maar door naar de volgende pomp die nog wel benzine had. Hier kwam er een man op een brommertje op me af die een veiligheidsbeambte (in burger) zei te zijn en wilde controleren of ik me wel goed had laten registreren en had daarvoor mijn paspoort nodig. Ik had geen zin in dit soort grapjes en ben weggereden. Probeer me dan lekker maar te pakken te krijgen. Ik weet nu ook waarom men domme mensen altijd met koeien/runderen gelijksteld. Langs de weg zie ik koeien lopen (zoals hier heel gebruikelijk is) en een kalf op de weg staan (ook geen bijzonderheid).
Ik kom aanrijden en wil met een grote boog om het kalf heenrijden en vlak voordat ik het beest passeer begint het recht op me af te lopen waardoor ik het beest vol in de flank raak. Ik houd me op de been, zo niet het kalf dat enkele malen op z'n rug over de weg tolt voordat het weet op te staan en de wei in vlucht (dat had hij eerder moeten doen). Even verderop staan enkele mensen die alles gezien hebben zodat ik besluit om niet te stoppen maar snel langs ze heen te rijden uit angst voor boze reacties, maar dat was niet nodig aangezien ze vrolijk naar me zwaaiden, alsof het aanrijden van kalveren de normaalste zaak van de wereld is. Geen (verdere) schade aan de motor gelukkig.

De eerste 50.000 km zitten er op
Voor de rest liep de reis probleemloos al moest ik nog wel een keer stoppen om mijn valbeugel met touw vast te maken aangezien deze nog maar aan één bout hing en dus flink begon te klapperen en zo de tank beschadigde. Vlak voor de brug met de KKH gaf de teller 50.000 km aan en was ik dus inmiddels ruim 30.000 km onderweg. In Gilgit langs het Internetcafé geweest om snel mijn post te downloaden die ik in het hotel eens rustig gelezen heb, wat altijd weer een aangenaam moment is.
Zaterdag 7 oktober stond in het teken van de reparaties. Op advies van het hotel naar "Iran Autos" gegaan. Eerst de valbeugel. Met een snijbrander moest deze weer in gareel gebracht worden. Ho stop! Wat denk je er van om met een hamer de zaak recht te slaan? Dat was ook een mogelijkheid. De schroefdraad van een gat in het frame onder de tank was uitgerafeld en werd opgetapt. Nu zit er geen metrische bout meer in maar deze is met een bahco ook wel los te krijgen. Doordat de valbeugel in de weg zat begon men de kop van de bout bij te slijpen waardoor zelfs een bahco geen grip op de bout meer had. Niets daarvan, ik wil er een fatsoenijke bout in hebben aangezien de bout bij elke oliewissel los gedraaid moet worden. Dan gebruik je maar een langere bout en een afstandbusje, en zo geschiedde. Aan de onderzijde waren alle 4 bouten in het rubberen deel afgebroken en werden, bij gebrek aan soortgelijke bouten deze vervangen door standaardbouten zonder rubberen tussenstuk. Het rubberen tussenstuk tussen de carter beschermplaat en het motorblok werd met rubberen busjes opgevuld en de hele zaak zat weer muurvast en was voorlopig valbestendig. De steun voor de koffer werd met metalen bouten en moeren vastgezet en voor de steunen van de andere koffer heb ik bouten en moeren meegenomen. Verder was de tank, om onduidelijke een reden, naar buiten verbogen en moest terug gebogen worden. Met lede ogen zag ik aan dat men er op aan het stampen was maar de tank was veel stugger dan ik verwacht had. Uiteindelijk zat ook deze weer goed vast. Totale kosten: Rp. 265 (Fl 13,-). De rits van de tanktas kon hij niet maken dus samen achterop zijn brommertje door de stad naar een ritsenmaker gereden. Eerst wilde deze er niet aan beginnen maar na enig aandringen ging hij overstag en kon een nieuwe rits plaatsen. Toen ik deze, 2 uur later, afhaalde zat de rits er in, maar verkeerd om dan voorheen en ook de bodem van de tanktas was er onderste boven ingenaaid. Geen onoverkomelijk probleem echter maar ik moet er nog wel even aan wennen.
Terug in het hotel de olie nog maar eens bijgevuld alhoewel het olieverbruik wel minder geworden is. De grote beurt moet maar wachten tot Islamabad. Er bleek die middag in Gilgit een polowedstrijd gespeeld. Wel leuk om naar zo'n "hockey per paard" wedstrijd te kijken. Het deed mij veel aan een pupillen voetbalwedstrijd denken: Iedereen is waar de bal is en probeert de bal zo hard mogelijk te raken. Van enige strategie was absoluut geen sprake (voor over ik heb kunnen ontdekken tenminste). Doordat mijn koffer gerepareerd moest worden moest alles er uitgehaald worden en had ik mooi de gelegenheid om de boel eens goed uit te zoeken, iets waar ik de rest van de middag mee bezig was.
De volgende dag ging de reis naar Tarashing, maar eerst ben ik de in de berg uitgehakte buddha gaan bezichtigen. Hiervoor moest ik Gilgit uit, over onverharde wegen door woonwijken. Na enkele aanwijzingen had ik het gevonden en de buddha viel me enorm tegen. Het was gewoon een rotstekening en niet eens een fatsoenlijk beeld, maar de weg erheen maakte veel goed. In het Internetcafé mijn postbus eens opgeschoond aangezien de vorige keer zo traag was dat dit toen te lang duurde.
Om 12 uur vertrok ik dan naar Jaglot waar ik de KKH verliet en de Indus kruiste naar het kleine plaatsje Bunji. Hier was een militaire legerbasis gevestigd dus de weg was goed tot aan de basis. Toen begon het off-road feest dat enkele dagen aan zou houden. Het dorpje door was een gedraai en gestuiter over stenen en door open riolen. Buiten het dorp werd de weg niet beter, de stenen werden alleen maar groter zodat ik continu in de 1e of 2e versnellng reed. Als er dan en bus of jeep tegemoet kwam werd het helemaal feest want uitwijken was bijna niet mogelijk. Over een smalle brug en vervolgens de vallei in langs een zijrivier van de Indus. De weg ging langs steile rotsen; vergelijkbaar met de weg naar Skardu maar dan volledig onverhard. Tarashing haalde ik niet die dag. Voor de 50 km naar Astore had ik ruim 3 uur nodig. De laatste 25 km naar Tarashing zou ik niet voor het donker kunnen afleggen te meer daar dit tevens de moeiijkste kilometers waren. Ik besloot dus om in Astore te blijven en kwam in het aangenaam klinkende 'Dreamland hotel' terecht.

De schade aan de tent nadat de gasfles verwisseld was
Naar Tarashing was het geen dagtrip meer dus besloot ik 's ochtends naar het Rama meer te klimmen en dan 's middags door te rijden naar Tarashing. De klim naar Rama nam 2.5 uur in beslag maar liep door allerlei kleine dorpjes waar ik de lokale bevolking bekeek en vice versa. Vanuit Rama, dat bestond uit niet meer dan enkele reeds gesloten hotels, naar het meer was nog een uur klimmen. Het meer lag zo'n 1000 meter hoger dan Astore en inmiddels was het weer ook omgeslagen. De aangename zon had plaats gemaakt voor lichte hagel. Niet aangenaam maar beter dan regen waar je kletsnat van wordt. Eigenlijk beviel de wandeling me wel, eindelijk weer eens flink afzien en met dit weer kom je absoluut niemand tegen. Ik was dan ook verrast om bij het meer een jeep te zien staan en 2 tenten. Helemaal verrast was ik toen bleek dat er een Nederlander in bleek te huizen die van Pakistaanse origine was maar al 20 jaar in Nederland woonde. Javed was net soep (meegenomen uit Nederland) aan het koken en met de ijzige wind en de hagel zei ik daar geen nee tegen. Hij pendelde heen en weer tussen Pakistan en Nederland en had zijn eigen bedrijfje in Pakistan. Hij had nu echter enkele dagen vrij en wilde bij het Rama meer overnachten en vervolgens over de Deosai hoogvlakte naar Skardu rijden. En zo zaten we samen in de tent te kletsen, terwijl hij een lege gaspatroon wisselde die echter nog niet compleet leeg was en vlam vatte doordat er een andere gaspit brandde. We wisten niet hoe snel we de tent uit moesten komen en vervolgens de vlammen doven. Gezien het voorval viel de schade nog mee. De tent was op enkele plaatsen gesmolten maar was nog wel bruikbaar. Toen hij de gaspatroon losdraaide had hij nog tegen de lokale kok gezegd dat het wel gevaarlijk was wat hij deed met het open vuur zo dichtbij, en gelijk werden zijn woorden bewaarheid. Ik had alleen enkele verschroeide haren op mijn klets, die ik niet zien kon maar wel ruiken! De soep smaakte (daardoor?) uitstekend en ik heb 3 koppen gehad.
Door deze ontmoeting had ik echter meer tijd bij het meer doorgebracht dan gepland en ik moest snel terug anders kon ik vandaag niet eens doorrijden naar Tarashing. Maar de terugweg was veel eenvoudiger dan ik verwacht had. Aangezien de jeep een lekker band had moest deze in Astore gerepareerd worden en dus kreeg ik een lift terug en was beneden in no-time. Bij het hotel zag ik de auto staan (zwaar gesponsord!) van een Deens stel, Paul & Pia die ik ook al in Esfahan (Iran) ontmoet had. Zij hadden mijn motor ook zien staan. Aangezien zij de volgende dag ook naar Tarashing wilden stelde ik mijn vertrek daarheen ook nog maar een dag uit. Later die middag kwam de Brit Ben ook nog aan die we, alsof de duivel er mee speelde, ook in Esfahan hadden ontmoet.

De hoofdweg naar Tarashing
De volgende ochtend ontbeten met enkele koppen thee en praba's, een soort gefrituurde pannekoek die vettig zijn maar wel goed smaken. Na de motor gepakt te hebben ben ik dan eindelijk vertrokken naar Tarashing. Onderweg haalde Javed me onderweg in. Er was bij het meer zoveel sneeuw gevallen dat ze met de jeep bijna niet weg konden komen. En nu waren ze onderweg naar de Deosai vlakte. Tot Rampur was de weg slecht maar niet slechter dan gisteren. Daarna werd het nog slechter. Een smalle weg die langs een helling omhoog liep vol met kuilen. Na aanvankelijk eens geslikt te hebben begon ik het na enkele minuten zelfs uitdagend te vinden. Snel ging het niet maar ik vond het jammer dat ik in Tarashing aankwam, de weg endigde er. Na enkele uren kwamen Poul & Pia ook aan en hebben we de rest van de dag niet veel gedaan dan genieten van de zon. 's Avonds vroeg naar bed gegaan enerzijds omdat we de volgende ochtend een dagtocht naar het Herligkoffer basiskamp wilden lopen, maar ook omdat er geen electriciteit was en er dus niets te doen was. De wekker ging om 6 uur af en buiten de slaapzak was het koud. Maar toen de zon een half uur later begon te schijnen werd het aangenamer. Na enkele droge chiapati's en de nodige koppen koffie pakten we onze rugzakken en gingen op weg. Eerst moesten we een helling op. Het pad was ondanks de aanwijzingen van gisteren niet eenvoudig te vinden. Maar toen we het juiste pad te pakken hadden was het relatief eenvoudig de gletsjer te passeren. Hier echter geen gladde witte vlakte maar een enorme berg stenen. Eigenlijk kon je helemaal niet zien dat het een gletsjer was. Het pad ging op en neer maar was relatief eenvoudig te volgen.
Aan de andere kant van de gletsjer was een relatief vlakke vallei waar de mensen woonden in kleine hutjes en daar liepen we rustig genietend doorheen. Men trok zich niet te veel van ons aan en zo liepen we steeds verder de vallei in die geleidelijk steeds verder omhoog liep. Ook het bovenste deel van de vallei had veel woningen naar deze waren allen verlaten en (dus) alleen in de zomer in gebruik. We moesten klimmen over een rug die het einde van de vallei markeerde. Na deze rug kwamen we in een klein dal dat heel groen was doordat er een klein stroompje in een moerassig meertje uit kwam. Het geheel was schitterend: bomen in herfstkleuren die samen met de omringende besneeuwde bergpieken weerspiegelde in het water van het meertje. Even bij het meertje gezeten om op adem te komen maar vooral om de omgeving in je op te nemen. Na nog een heuvelrug bedwongen te hebben kwamen we dan uiteindelijk bij het basiskamp aan wat een beetje tegenviel want het uitzicht was niet zo denderend als verwacht. Verder de vallei in gelopen richting de gletsjer. Het leek vrij vlak maar bleek nogal stevig omhoog te gaan. Geklommen naar een grote steen op de rand wat voor ons het eindpunt van de tocht was en van waaruit je een mooi uitzicht had op de gletsjer, een wandeltrip van zo'n 5 uur. De beloofde steile wand was niet te zien omdat er deels een lage bewolking hing.

Moerassing meertje met prachtige herfstkleuren
Grote delen van de berg waren wel goed te zien en zo zagen we een flinke sneeuwlawine op een helling nadat we deze eerst hoorden. Na mijn ervaring in Karimabad was het goed een lawine te zien die nu ver weg plaatsvond. Na een uur waren we vol gegeten, hadden alles gefotografeerd en aanvaarden de terugtocht. Die gaf weinig problemen maar nam wel de nodige tijd in beslag. In de vallei was het pad niet altijd duidelijk en (dus) namen we kwamen we het verkeerde 'pad'. Hierdoor kwamen we over losse stenen te lopen en kwamen al klauterend over de rotsen uiteindelijk weer terug in de bewoonde wereld. Inmiddels begon de tijd wel te dringen wilden we voor he donker nog terug zijn want we moesten de gletsjer nog over. Vooral de Denen waren moe, maar zij hadden dan ook een rugzak vol spullen mee (zoals oa. een digitale camera waar ik ook nog mijn voordeel mee kon doen!). Ook had ik het voordeel dat ik al meerdere dagtochten achter de rug had op deze hoogten. Toen ze voorstelden om te wachten totdat de volle maan te voorschijn gekomen was alvorens de glesjer te kuizen bood ik aan om hun rugzak mee te slepen voor de laatste etappe. Zo waren we nog voor het donker terug al was de zon wel reeds verdwenen achter de bergen. Allemaal waren we enorm moe na een snelle hap opgewarmd te hebben gingen we snel onder zeil.
De volgende dag was ik niet vroeg op en besloot te genieten van de zon en een rustdag in te lassen. Ik had mijn plan om over de Deosai hoogvlakte te rijden reeds in Skardu laten varen, maar toen Poul & Pia zeiden van plan te zijn over de hoogvlakte te rijden en aanboden samen te gaan wilde ik het toch weer proberen. Het weer was de laatste dagen perfect en ook mijn motor kon weer een stootje verdragen. Dus werd besloten om morgen naar de Deosai te gaan en als het te gek werd dan zouden we omkeren. Bij vertrek bleek mijn achterband al weer lek te zijn. Overigens niet zo verwonderlijk met deze wegen. Gelukkig liep de band slechts heel langzaam leeg en reed ik alleen off-road waar de bandenspanning niet enorm belangrijk is zodat het volstond de band slechts eenmaal per dag op te pompen. Het eerste deel zou direct een zwaar stuk worden: weer terug naar Rumpal over de smalle en stenige weg maar nu omlaag. Het bleek heel erg mee te vallen en terug rijdend richting Astore passeerden we de afslag naar Deosai maar moesten nog tanken. Men bleek alleen diesel te hebben en zelfs dat moest nog met de hand opgezwengeld worden.

Benzine was te krijgen bij een shop verderop waar men een jerrycan had waarin exact de door mij gevraagde 12 liter in zat. Nu konden we vertrekken naar de Deosai. Doordat ik met de motor sneller reed dan de auto besloten we elke 15 km op elkaar te wachten. De weg naar Gudai en Chilam was gelijk aan de weg naar Rumpal, een brede weg die wel veel hobbelde. Na zo'n 50 km kwamen we in Chilam aan en moesten we ons bij een militair checkpoint laten registreren. Aangezien het reeds 13 uur geweest was hebben we in het lokale 'hotel' enkele koppen thee gedronken en chiapati's gegeten voor we aan de echte etappe naar de hoogvlakte reden. Inmiddels waren we al gestegen tot 3500 meter zodat ik mijn thermisch ondergoed te voorschijn haalde om me dikker te kleden.
De pas waar we overheen moesten lag op 4265 meter. Vanaf Chilam ging er een steil pad omhoog die me best wel ontzag inboezemde, maar heel erg mee viel. Al snel stonden we voor een slagboom en moesten entreegeld betalen voor het Deosai nationaal park. We moesten Rp. 200,- betalen maar daar had hij geen bonnetjes meer voor. Wel voor Rp. 20,- wat de lokale bevolking moest betalen. Door gewoon er een 0 bij achter te schrijven was het probleem eenvoudig opgelost. Zo gemakkelijk ging dat echter niet. Wij hadden niets tegen het betalen van Rp. 200,- maar dan wilden we wel een 'goed' bonnetje. Na wat heen en weer gepraat schreef hij uiteindelijk een briefje dat we bij de checkpost aan de Skardu-zijde moesten afgeven (en betalen). We reden verder omhoog over paden die je dwongen langzaam te rijden maar niet echt moeilijk waren. De omgeving was schitterend alhoewel we nog voor de pas (en dus nog niet op de hoogvlakte) waren. Pas boven de 4000 meter werd het zweten geblazen voor mij.

Dit lijkt wel trial-rijden!
Veel stenen en keien op het pad en ik had moeite om omhoog te komen. De koppeling had het zwaar te verduren en toen ik deze dan ook ruiken kon besloot ik direct maar een pauze in te lassen en te wachten op Poul & Pia. Poul verwachtte wel over deze stenen te kunnen komen dus gingen we verder. Veel zin om terug te gaan had ik ook niet omdat het achter ons was beginnen te sneeuwen; niet echt een aantrekkelijke gedachte om er per motor doorheen te rijden mede omdat het binnen 2 uur donker zou zijn. We besloten door te rijden over de pas waar vlak achter het Deosai meer lag waar we kamperen konden.
Na de stenen werd het gemakkelijker aangezien het pad niet meer bezaaid lag met stenen... dachten we! Nu was het de modder die voor grote problemen zorgde. Al slippend en glijdend kwam ik vooruit waarbij ik vaak beide voeten aan de grond moest zetten om in balans te blijven. Na elke honderd meter was ik buiten adem (op deze hoogte) en was gedwongen een pauze in te lassen. Gelukkig zagen we in de verte het meer al samen met enkele jeeps en tenten. We waren dus niet de enigen die met dit barre weer de vlakte over wilden. Zo haalde ik uitgeput het kampement waar één Japanner overnachtte samen met enkele lokale gidsen. Na een kennismaking kregen we van hen warme thee aangeboden wat zeer goed smaakte. Vervolgens snel de tent opgezet omdat het snel donkerder en kouder werd. De Japanner had twee tenten, een kooktent en een eettent met tafels en stoelen. Toen wij vroegen of wij in zijn eettent mochten koken maar daar wilde hij niets van weten, zij waren al bezig om ook voor ons te koken, we moesten hem gezelschap houden. En zo zaten we gezellig te kletsen toen ineens een telefoon ringelde. Een telefoon in de middle-of-nowhere! Het bleek een satelliettelefoon te zijn waarmee hij contact onderhield met zijn collega's.
Ze waren speciaal uit Japan gekomen om per luchtballon over de Nanga Prabat (8125 m) te vliegen. Na 2 jaar voorbereiding zou dat dan morgenvoeg moeten gebeuren. Eigenlijk wilde men over de K2 heen maar de Chinese authoriteiten hadder en hier geen toestemming voor willen geven. Met een speciaal in Engeland gekochte ballon was het morgenochtend de laatste kans om te vertrekken voor het weer om sloeg. 'Onze' Japanner was hier om de ballon op te vangen wanneer deze ergens op de Deosai vlakte landen zou. Daarvoor was hij uitgerust met een satelliettelefoon, radio en GPS waar hij een speciale vergunning voor aan had moeten vragen. Hij was dan ook zeer verbaasd dat wij beiden ook een GPS ontvanger bij ons hadden. De luchtballon had ook een radio waarmee, behalve spraak, ook de GPS-positie van de ballon automatisch mee doorgeven werd.

Kamperen op 4200 meter in de sneeuw is geen pretje
De Japanner kon deze uitlezen en zo achterhalen waar de ballon was en waar deze ongeveer landen zou. Hij had eten voor meer dan een week bij zich dus daar kon wel wat voor ons van af. Aangezien hij die dag uit Skardu gekomen was kon hij ons meer vertellen over de gesteldheid van het pad verder zodat wij konden besluiten of we verder gingen of het beter was om terug te keren. Nu we over de pas waren wilde niet zeggen dat we het ergste gehad hadden aangezien we nu op de Deosai hoogvlakte waren die, zoals de naam al zegt, niet daalden maar boven de 4000 meter bleef tot vlak voor Skardu. Skardu was slechts 4 à 5 uur rijden maar de wegen bleven vol met modder en enorm glibberig zodat we er zeker nog een hele dag voor nodig zouden hebben. Dit trok mij niet echt aan.
Verder moest er nog een rivier doorkruist worden. Er was wel een brug maar die werd elk najaar verwijderd en dat was net 2 dagen geleden gebeurd. Je kon wel door de rivier heen rijden maar dat was lastig vanwege de grote stenen en de jeep chauffeurs dachten dat de grondspeling van de Mitsubishi van de denen er niet voldoende voor was. Kortom voor ons beiden was het beter om om te keren. Na een heerijke diner bleven we nog even napraten, maar niet te lang want het werd nu heel snel kouder. Mijn voeten waren ijskoud doordat mijn voeten nat geworden waren toen ik door de sneeuw en plassen water gereden was met de voeten aan de grond. Verder was ik zo slim geweest om de dag ervoor mijn enig paar dikke (wandel)sokken te wassen en die waren nog niet helemaal droog zodat ik maar een dik paar sokken van de Denen leende. Veel hielp dat niet, mijn voeten bleven koud. Dus maar snel naar bed. Dat was geen pretje want inmiddels was de tent lichtelijk ingesneeuwd en was het in de tent ijskoud. Met thermisch ondergoed en sokken aan en muts op ben ik in de slaapzak gedoken. Mijn fleece-jas dicht geritst en als een extra sloop over het voeteneinde van de slaapzak getrokken voor extra warmte. De boord van de slaapzak helemaal dicht getrokken en daarmee was het goed uit te houden. Het enige probleem was dat mijn matras iets lekte waardoor ik na enige uren op de bodem kwam te liggen en het daardoor koud kreeg en vervolgen wakker werd. Dan gewoon even je matras weer opblazen waarmee ik er weer enkele uren tegen kon. Mijn neus gaf aan dat het zelfs in de tent wel koud was. Het water in mijn fles was lichtelijk bevroren en mijn adem bevroor aan de binnenzijde van de tent.

Verder bleek de volgende ochtend mijn palmtop niet meer te werken vanwege de te koude batterijen zodat ik geen idee had hoe laat het was. Toen ik echter de satelliettelefoon hoorde ringelen wist ik dat het ongeveer 06.30 uur was. Het tijdstip dat onze Japanner definitief te horen zou krijgen of men vandaag vertrok. Dus maar opgestaan en dik aangekleed voordat ik de tent verliet. De ballon zou vandaag wel opstijgen en wel over ruim een half uur. We hadden gisteren al besloten dat we, indien mogelijk, de ballon wilden zien en dus zouden we niet al te vroeg vertrekken. Dit was überhaupt niet mogelijk aangezien alles dan nog bevroren zou zijn. Na een heerlijk ontbijt met thee, toast ei en cornflakes (met warme melk), wederom door de Japanner geregeld, bleek het buiten om 8 uur nog -7 graden te zijn en dat terwijl de zon reeds geruime tijd scheen. In Pouls tent was het vannacht -10 graden geweest dus buiten minimaal -15 graden met nog een aanzienlijke ijzige wind! Kortom geen pretje. Poul had problemen om de auto aan het lopen te krijgen en had er kokend water voor nodig. Mijn BMW liet zich van de goede kant zien en starte met choke ineens zonder enige problemen.
Al snel na het opstijgen werd duidelijk dat de ballon een veel zuidelijker koers voer dan gewenst en dus niet in de buurt van het kamp zou landen, zelfs niet op de Deosai vlakte.. Omdat we de ballon nu toch niet zouden zien vertrokken we maar. De Japanner haalde ons later met zijn jeep in en wist ons mee te delen dat men te ver naar het zuiden dreef en waarschijnlijk een geforceerd landing in bergachtig terrein moesten maken om te voorkomen dat men in India terecht kwam. De grens tussen India en Pakistan is überhaupt gevoelig en zeker hier in Kashmir dat de oorzaak is van alle problemen. Het was even afwachten waar men precies landen zou maar door het gebrek aan wegen daar in dat gebied was het goed mogelijk dat de ballon per helicopters geborgen zou moeten worden. Hier had men reeds rekening mee gehouden en een aanbetaling van US$ 6000,- aan het leger gedaan. Hoe het verder met de ballon afgelopen is weet ik niet.

Ploeterend weer terug naar beneden
Inmiddels hadden wij hele andere problemen. De terugtocht verliep op z'n zachtst gezegd moeizaam. Om het mij gemakkelijker te maken had ik al mijn bagage in de Mitsubishi onder kunnen brengen zodat de motor veel handelbaarder was. Echt veel hielp het niet want nog steeds gibberde ik alle kanten uit en viel de motor enkele malen in de modder. Na elke paar honderd meter was het weer uithijgen geblazen. Voordeel was dat we deze weg gisteren ook "gereden" hadden en dus wisten wat ons te wachten stond. Dit was tevens ook een nadeel aangezien het moeilijke stuk nog niet voorbij was toen we het stenige deel achter de rug hadden (dat omlaag overigens veel gemakkelijker was dan omhoog). Om 11.30 uur besloten we een rustpauze in te lassen. In 2 uur hadden we welgeteld 6 km afgelegd! Gelukkig zaten we inmiddels onder de 3800 meter en na de pauze bleek dat we nog slechts één echt modderig stuk hadden. Vandaar af aan werd het beter. Hier had het minder gesneeuwd afgelopen avond dus was de grond niet modderig. Het laatste obstakel was een rivierbeddinkje waar ik tussen de keien vast kwam te zitten, maar op eigen gelegenheid uit wist los te komen. De slagboom van de ingang van het park was weer gesloten maar aangezien de auto al mijn bagage had kon ik doorrijden en ook de Denen kwamen er zonder te betalen doorheen. En zo kwamen we in Chilam aan waar we bij hetzelfde hotel thee gedronken hebben waar we ons realiseerden dat we enorm geluk gehad hadden dat de Japanner er ook zijn kampement opgeslagen had en zo gastvrij was geweest anders waren de ontberingen voor ons nog groter geweest.
De weg terug naar Astore was wel bekend en veel breder dan wat we achter de rug hadden. Toch viel het enorm tegen, het was veel stuiteriger dan ik verwacht had en mijn mening werd door de Denen gedeeld. Tegen vier uur kwam ik in Astore aan bij hetzelfde hotel als op de heenweg en had een pijnlijke rug van al dat gestuiter. Pas later realiseerde ik dat dat kwam omdat ik nu zonder bagage gereden had en mijn vering veel te hard ingesteld was voor het rijden zonder bagage. De volgende dag werd mijn conclusie bevestigd toen ik weer met bagage reed over dezelfde weg en geen problemen meer ondervond. Onze terugkomst in de 'bewoonde' wereld besloten we te vieren met een jachtschotel die ik van de Duitsers gekregen had in Dogubayasit (in Turkije aan de Iraanse grens) die samen met wat rijst prefect smaakte. Na nog een kop koffie kroop ik in mijn slaapzak aangezien ik uitgeput (maar voldaan) was.

Gelukkig was ik al snel weer onder de sneeuwgrens
De volgende ochtend na het ontbijt mijn bagage weer aan de motor bevestigd. Daar bleek dat de koffers wel iets te lijden gehad hadden maar dat was wel weer te herstellen door een beetje buigwerk. De weg terug naar Bunji was nu lang niet zo moeilijk als op de heenweg. Wel rustig rijden maar ik had nu veel meer tijd om van de omgeving te genieten. Het slechtste deel was pas na de brug parallel aan de Indus-rivier. Terwijl ik over de keien reed liep aan de overzijde van de rivier de KKH met glad asfalt. Toch was de weg lang niet zo slecht als ik verwacht had. In Bunji kreeg ik na 6 dagen en 315 km weer asfalt onder de motor. Een trip die anders liep dan gepland maar dat is juist de charme van zo'n reis. Zeker is wel dat ik weer een stukje dichter bij de grenzen van mijn motor gekomen ben en het vertrouwen in de handelbaarheid, maar vooral in mijn mogelijkheden, toegenomen zijn.
In Bunji thee gedronken en enkele chiapati's gegeten en heb onder grote belangstelling (meer dan 30 mensen) mijn achterband op spanning gebracht voor het laatste deel naar Gilgit. Hier eerst de nieuwe e-mails gedownload en deze in het hotel gelezen. Na zulke vermoeiende dagen was het weer tijd om eens enkele dagen niets te doen en allerlei kleine dingen aan de motor en de was doen. Poul & Pia hebben een digitale camera en hebben daar de nodige foto's mee gemaakt de afgelopen dagen en hebben mij aangeboden een CD met foto's voor mij te branden. Zodra hij de foto's uitgezocht heeft kan ik uitzoeken welke foto's ik hebben wil. Tevens kan hij enkele foto's comprimeren om deze per e-mail te versturen. Ik hoop (en verwacht) dat er enkele leuke foto's tussen zitten.
Het noorden van Pakistan heb ik nu wel gezien en wil alleen Chitral en de Swatvallei bezoeken. Terug in Islamabad wil ik mijn motor een grote beurt geven wat hard nodig is. Verder wil ik proberen mijn indisch visum te verlengen dat nu (al) op 09-01-2001 afloopt. En aangezien ik gehoord heb dat dit eenvoudiger is voordat je je visum gebruikt hebt wil ik in Islamabad een poging wagen en verwacht daar een week voor nodig te hebben. Ook moet de motor een grote beurt hebben. Verder kan het zijn dat ik nog even in Lahore hangen blijf als (ex-collega) Christian daar is voor een klus.