Reisverslag 18          Luang Prabang (Laos, 17-11-2001) t/m Bangkok (Thailand, 06-12-2001)

Luang Prabang is een gezellige plaats met diverse interessante bezienswaardigheden om te bezichtigen. Je hebt er het oude Koninklijk Paleis, wat is gebombardeerd tot een museum. Vergane glorie, maar wel leuk om er doorheen te wandelen. In de stad staan tempels, die de moeite waard zijn om te zien. Tegenover het paleis bevind zich een Stupa. Ik waande mij echt in Europa met al die bleekscheten (package toeristen die met hun tong op hun schoenen de klim omhoog gemaakt hadden, ondertussen balend dat men hier nog geen lift of roltrap geïnstalleerd had) en snel een plekje gezocht waar de monniken zich ophielden.
Met een goed Engels sprekende monnik een goed gesprek gehad over zijn leven als monnik. Hij heeft ons een voetafdruk van Buddha getoond en ik dacht, dat Mart grote schuiten had, maar die Buddha heeft echt op grote voet geleefd. Wij hadden geen betere gids kunnen treffen en wij vervolgden onze afdaling van de meer dan 138 treden in gezelschap van onze monnik, genaamd Khampheang. Zij hebben net als wij 10 geboden, maar zij mogen niet dansen, het aanraken van een vrouw is taboe, geen muziek luisteren, niet stelen of doden (ook niet het doden van een dier, al wordt er voor een mug een uitzondering gemaakt).
Vanaf 13:00 uur tot de volgende dag mogen ze geen voedsel meer tot zich nemen. Alcohol is ook uit den boze, dus ik hoef niet bang te zijn, dat Martin het ineens in zijn bol zal krijgen om monnik te worden en tevens ben ik niet geschikt als non. Tegen de tijd dat we de weg in Luang Prabang wisten besloten wij om verder te reizen. Het toerisme in Laos concentreert zich nagenoeg volledig in Vientiane, de hoofdstad, en Luang Prabang, met Vang Vieng als pleisterplaats tussen deze twee steden. Eenmaal verwijderd van deze route kom je nagenoeg geen toeristen meer tegen. Tot nog toe waren de wegen in Laos goed geweest en we wilden een ronde lus maken door het noorden van Laos via Pônsavan. Iedere dag verbaasden wij ons over de prachtige, ongerepte natuur. Iedere keer dacht je, dat het niet mooier kon worden maar werd het dat wel!
De eerste nacht sinds ons vertrek uit Luang Prabang was nabij een brug in een dorpje genaamd Muang Ngoy. Het was berekoud en we waren erg moe en het was slechts 173 km wat we hadden gereden. Maar ten noorden van Luang Prabang hadden we ook nog enkele grotten bezocht die ons enorm teleurstelden en absoluut de moeite niet waard waren. Helemaal niet toen Mart zijn zaklamp in de boot bleek te hebben laten liggen (de grotten lagen aan de overzijde van de Mekong). Nou ja, nu kan de schipper tenminste zien waar hij 's avonds vaart.


Op deze slechte wegen kun je niet echt flink opschieten
Toen we de volgende dag verder reden en de Provincie Luang Prabang hadden verlaten, werden de wegen slecht. En slecht betekent in dit geval dat er enorme gaten in het asfalt zaten, wat met een overbeladen motor niet echt een pretje was. We legden die dag een dubbele afstand af, heen en weer zwabberend over de 'weg' proberend de gaten te ontwijken. Na de lunch werd de weg nog slechter: asfalt was er inmiddels helemaal niet meer, alleen grote stenen. De weg was op zich wel te doen al moet je enorm je tempo omlaag halen en het blijft het enorm vermoeiend rijden.
Die dag reden wij 238 km en we moesten wel doorrijden tot er een dorpje in het zicht kwam, want de nachten waren te koud om buiten te gaan slapen. We hebben aan de lokale bevolking gevraagd, waar we de nacht konden doorbrengen. In een houten hut was er een kamer vrij. Martin zei, dat de varkens van zijn opa betere hokken hadden gehad, maar goede alternatieven waren er niet. Er was aangestampte aarde en er stond een bed en een lekkere vuilnishoop eronder. We zijn op een dikke deken gaan liggen, want het was goed dat er geen licht was. Wij voelden ons de koning te rijk en hadden een bed. De mensen waren heel gastvrij en er werd een bakje water neergezet met een olielampje. Mart at zijn en mijn noedels op. Tja, het toilet? Welk toilet? Niemand sprak Engels, dus op een keurige wijze aan de vrouw des huizes duidelijk gemaakt, dat ik naar het toilet moest. Er werd hard gelachen en naar de bosjes verwezen richting de hoofdweg. Onder een prachtige sterrenhemel je broek laten zakken is weer eens wat anders. Lekker ongewassen je bed in. De sokken hadden we al drie dagen aan, dus luchten was geen overbodige luxe. Die nacht hadden wij goed geslapen en om 05:00 uur in de morgen ging er iemand met een radio het dorp door, want er moest gewerkt worden. Ons hutje was erg gehorig en onze buren maakten nog een snelle wip en met het geluid van een ronkende vrachtwagen op de achtergrond ging de nacht over in de dag. We hebben ons dutje tot 06:30 uur weten uit te breiden. Onder begeleiding van het hele dorp werden wij uitgeleide gedaan. Een ervaring welke wij niet hadden willen missen. Met een lege maag en zonder gewassen te zijn, onze weg vervolgd.

De 'Plain of Jars' net buiten Pônsavan
Pônsavan is een plaats waar weinig te beleven is. Je hebt er de "Plain of Jars". Een veld vol oude potten en echte knoeperds. Het zijn enorme keien die men uitgehakt heeft alleen weet niemand waarom. Niet iets wat je even als souvenir in je zak stopt (dat was reeds gebeurd zodat alleen de ontilbare potten er nu nog over zijn). Geen wonder dat die dingen er duizenden jaren zijn blijven liggen. Je moet je fantasie gebruiken en 1 gebroken pot was net de wieg van Pebbles, welke stamde uit de Flinstones periode. Er waren nog twee velden in de omgeving maar die konden we niet vinden ondanks de voor ons getekende kaart van de restauranthouder in Pônsavan. Dus maar doorgereden naar Xiang Khoang. Dit is de oude provinciestad. Een prachtige vervallen tempel bezocht, welke door de bombardementen uit de Vietnam oorlog flink was beschadigd (door oa. het oosten van Laos liep de Viet Cong trail, de hoofd aanvoerroute van de Viet Cong, die dus ook het doelwit van de Amerikaanse bommenwerpers waren). Xiang Khoang is de oude provincie hoofdstad die nagenoeg met de grand gelijk gebombardeerd was. Een grote Buddhaen een Stupa hadden de bombardementen overleefd hebben, zij het niet ongeschonden. De Stupa stond in een hele fraaie omgeving en bleek zeer recentelijk van dichte vegetatie ontdaan was. Door de ligging en de architectuur vonden we het een meesterwerk.
Dezelfde weg bleek op de terugweg in een oogopslag veranderd te zijn in een echte off road weg. De weg was enorm opgeruld en nagenoeg onbegaanbaar, gelukkig konden we nog net langs de kant van de weg . Dit alles was geschied in een tijdsbestek van een uur. Na wat ploegen van Rosie en stuurmanskunst van Mart niet te vergeten. Dit aangevuld met zijn stepervaringen opgedaan samen met zijn broer Wilko uit de oude doos, kwam nu ook goed van pas. Na de ontbering kronkelde er op de weg een slang. Wij stopten om hem te aanschouwen, totdat wij bemerkten dat iedereen stopte. Vanuit de tegemoetkomende richting kon je spreken van een file. Een slang is hier een echte delicatesse (werd ons achteraf verteld) en wordt verorberd zoals bij ons een biefstukje. Geef mij kostje maar een fikkie! Hij werd voor onze ogen door een vrachtauto overreden. De chauffeur van een andere vrachtauto stapte uit en sloeg de slang met een bamboestok op de kop en slingerde 'm in de vrachtauto. Mart, die dit aan zag komen, reed snel iets vooruit, want hij zal de slang maar over de vrachtauto heen gooien en je de slang maar boven op je krijgen. Het was een mooi gezicht, totdat hij werd gedood. Je merkt dat je de natuur om je heen gaat respecteren en ook slangen maken hier deel van uit. Nu hoef ik ze ook niet op de koffie, maar dat is een ander verhaal.
In Pônsavan waren wij snel uitgekeken en we waren klaar voor de laatste etappe. En wat voor een etappe! Mart had op zijn GPS een stuk aangeduid als "De hel" en dat was het ook echt. We hadden een stevig ontbijt genomen, want wij wisten niet hoe de dag zou verlopen. Om 08:49 uur reden wij de bergen in. Het landschap was omgeven van een laagwolken dek en het was berekoud.
Wij bevonden ons op 1200 meter hoogte. De weg was heel goed in het begin: gloednieuw asfalt, alleen oppassen voor het losse grind op de weg, en na 50 km hield het asfalt abrupt op en lag er een zandweg met rode aarde voor ons. Geen bestrating, stof en......modderpoelen. In het beginstuk was er een vrachtwagen naast het pad geraakt maar wij konden er gemakkelijk langs. Daarna werd de weg al snel steeds moeilijker te berijden en ketelbinkie ging door de modder en natte voeten bleven niet uit. Mart maakte op een gegeven moment een inschattingsfout waardoor de motor echt vast kwam te zitten. Ketelbinkie moest helpen duwen en met hulp van Ketelbinkie kwam de motor door het moeilijke stuk heen. Zij het niet ongeschonden omdat het leek alsof de motor een zwaar moddergevecht geleverd had, maar dat gold ook voor de berijders. En dat kan je op zo'n moment ook geen reet meer schelen, je wilt er alleen doorheen komen. Dit bleek echter nog niets te zijn. Na ongeveer 15 km stuitten we op een rij voertuigen en dat moest wel problemen betekenen. Dat was het ook. Er werd ons zelfs door een lokaal iemand geadviseerd om terug te gaan, maar dit moet je dus nooit zeggen tegen een overlander, want ons plan stond toen helemaal vast. We zouden doorgaan tot het bittere eind. Met de motor langs de file gereden en gekeken wat er aan de hand was. Om kort te zijn: Welkom in de hel!

"Niet achter het gaan achterwiel duwen!"
In deze bergachtige omgeving komen allerlei beekjes de helling af stromen, en deze stromen gewoon over de weg die hierdoor in een modderpoel verandert. Het verkeer komt vast en probeert er hoe dan ook toch nog door te komen met als gevolg dat de modderpoel nog groter en dieper wordt. Deze modderpoel was inmiddels zo groot en diep geworden dat het zelfs opstoppingen veroorzaakte en alle niet 4WD's in de modder bleven steken. Een minibus was vast gelopen. Het kon nog wel heen en weer in de modder maar er niet meer uit totdat een grote zandauto te hulp kwam en de minibus uit de modder trok. Er stond achter twee 4WD's nog een grote bus te wachten. Die ben ik maar voorbij gereden want die zou zeker blijven steken (bleek later ook zo te zijn). De beide 4WD's glibberden er door en gaven Mart een goed inzicht in de moeilijkste delen. En toen was het zijn beurt! Onder het mom van foto's maken hoefde ik er niet op de motor doorheen en ik keek liever toe. De adrenaline vloog door Mart zijn strot en ook door de mijne. Hij reed er in 1 keer doorheen zonder schuivers, maar wel maakte hij dankbaar gebruik van zijn lange benen om de balans te houden. Super opgelucht elkaar de vijf gegeven. Op mijn schoenen (welke niet meer als zodanig herkenbaar waren) zat een modderlaag van minimaal 7 cm. Mart zag eruit als Pietje Smeerpoets.
We vervolgden onze tocht en bij een pietepeuterig stukje kwam hij weer vast te zitten. We dachten peanuts. Ketelbink stond achter de motor om meer kracht te kunnen zetten. Ik heb de woorden van Mart even vergeten. "Niet achter het achterwiel gaan duwen!". Ik stond erbij en ik keek ernaar. Helemaal onder de modder en dat met een wit shirt aan!!! Een perfecte reclame commercial voor een wasmiddelen fabrikant. Maar goed, we zaten dus beiden van top tot teen onder de modder maar de motor zat nog steeds muurvast. Dus de bagagerol er af gehaald toen er ineens uit het niets een man in hele nette kleren op ons af kwam. Hij trok zijn slippers uit, rolde zijn broek op en hielp mee om de motor uit de blubber te krijgen. En dit terwijl enkele 4WD's zonder te stoppen door reden. We hebben even pauze genomen en wat kiekjes geschoten. De volgende 20 km was nog wel onverhard maar reeds geëgaliseerd en dus goed berijdbaar. Sinds Mart op reis is, was dit de meest slechte weg, die hij ooit heeft gereden. Dit wel samen met zijn Ketelbinkie, die zich kranig had gedragen.
Toen we weer asfalt onder de wielen kregen hebben we en pauze ingelast zodat Mart alle modder bij het voorwiel weg kon bikken, om slijtage van de band te voorkomen want Mart had geleerd van zijn modder avontuur in Rusland. Ieder zijn taak en Ketelbinkie had genoeg modder gehapt, dus Mart was niet bang voor vieze handjes. Rosie zag er overigens ook niet uit.
Het resterende stuk naar Vang Vieng was allemaal asfalt. Gelukkig wel want we hadden al genoeg oponthoud gehad en moesten nog doorrijden om voor het donker aan te komen wat wel lukte. Het was zeker onze zwaarste dag samen geweest maar ook de leukste dag van allen. Wel hadden we heel wat om schoon te maken. Toen wij aankwamen in hetzelfde hotel als de vorige keer hielden we half wat er al rekening mee dat we geweigerd zouden worden maar dat viel enorm mee. Snel wat gaan eten in het dorp aangezien we nagenoeg geen lunch gehad hadden en wel de nodige inspanning verricht hadden. Twee knapen uit Israël hebben ons op de video vastgelegd compleet met onze besmeurde kleding. Het was ook een aandoenlijk geheel. Niemand had ons herkend. Om het te vieren 3 flessen bier en heel veel gegeten. In het hotel kregen we dezelfde kamer als de vorige keer. Het witte zeiltje als doekje voor het bloeden op de grond gelegd en onze vuile zooi erop geplaatst. Kleren uit en in het sop. Na een warme douche voelden we ons een stuk beter. Het bed in wat gelezen en slapen. Een dag om nooit meer te vergeten.

De breedte van de brug hield niet over
De volgende morgen hebben we hier echt de vruchten van geplukt. Normaal is Mart niet zo wasserig maar de motorpakken mochten zelfs gewassen worden! Nou, dan zijn ze echt vies. Rosie werd gestript en gekieteld als nooit tevoren. Na een dag van hard werken ging tot overmaat van ramp de Psion van Martin stuk. Er zijn van die dagen dat je je wel eens in een heerlijke dip voelt komen. Gelukkig waren we samen. Vang Vieng is enorm toeristisch. Je kunt er kajakken en banden huren en daar en de rivier mee af dobberen. Voor de grot liefhebbers is er ook nog het een en ander te doen. We hebben niet veel gedaan en zijn ons even op de hoogte gaan stellen van het kajakken. Veel te toeristisch doordat je tevens allerlei toeristische attracties bezocht waar we absoluut geen zin in hadden. We gingen naar de rivier en wilden een gammele brug over. Aan de overzijde van de rivier ligt een klein dorp en regelmatig moeten er goederen door de rivier vervoerd worden. Dus halverwege de brug zitten de chauffeurs van de vrachtautootjes op klandizie te wachten. Als extra bron van inkomen hadden ze besloten de brug tot een tolbrug te verheffen en 1000 kip (25 cent) tol p.p. te vragen. Het bord was alleen in Engels geschreven en gold dus alleen voor toeristen. En dus gold dus niet voor ons, wij zijn namelijk reizigers en geen toeristen. Wij zagen ons niet als melkkoe, dus niet betalen en gewoon doorlopen. Kerel over de zeik maar dat kon ons niet boeien.
De eerste afslag was naar een grot en dit leek ons wel wat. Heerlijk door de rijstvelden lopen die we net geoogst hadden. Her en der vlaggen op stokken in de akkers gestoken en je loopt gewoon van vlag naar vlag. Ook hier probeerden ze je zakken even uit te kloppen aangezien je een gids KON huren. Maar als je het niet deed dan gingen ze gelijk over de zeik. We mochten niet verder en de weg werd versperd. Vriendelijk doch dringend verzocht of we er langs mochten maar meneer liep wel met ons mee. Hij schreeuwde wat omhoog naar zijn gidsen bij de grotten, waarschijnlijk dat we geen tickets hadden. De grotten mochten we ook niet in, maar na onze grottentocht in Luang Prabang hadden we er toch geen zin in. De ingang van de grot lag hoog in de rots zodat je vanaf de ingang een schitterend uitzicht had over de omgeving, de bergen, rijstvelden en de rivier. Beneden zag ik een van de kerels met een kapmes lopen, maar bleef toch voorop lopen. Kneep hem wel een beetje. Bij het naderen van het glimmende voorwerp wierp Mart zich op als mijn nobele ridder. Niks aan de hand dus, maar als blikken konden doden...
We struinden door de rijstvelden, niet wetend hoe exact terug te lopen. Bij de rivier aangekomen zagen wij de mensen gewoon de rivier doorwaden daarbij tot hun kruis in het wat gerakend. Probleem was dat we onze bergschoenen aan hadden en deze uit moesten trekken waardoor we blootsvoets over de stenen moesten lopen wat niet echt lekker ging. Er was wel een (andere) brug maar die was in aanbouw. De brug bestond uit houten schragen die in de rivier geplaatst waren die onderling verbonden waren met twee balken. Om de schragen te kunnen beklimmen moesten we toch nog blootsvoets een stukje door de rivier waden. Om de eerste schraag geklommen en voetje voor voetje over de losliggende balken gelopen. Helaas had de brug nog geen tussensporten. Wij erop geklommen, want je laat je laat je toch door zoiets niet kisten. Vlak aan de overzijde rolde mijn linker boomstam wat weg. Je kan het vergelijken met de lage brug van het turnen. Ik viel en hing met mijn benen over de balk. Als een clown er weer opgeklommen onder dat ik ook maar iets nat geworden was. Lachen was dit. Bij Mart kan ik nooit meer stuk!! Aan de overkant zat een vent zich te bescheuren vanwege het tafereel. Op nog geen 3 meter van de kant lag er maar 1 balk en we kregen tegenliggers. Het waren Russen en 1 er van verloor zijn balans en viel in het water en ging kopje onder, tot grote giebelarij van ons. Wij liepen verder en 1 meter voor de oever donderde ik eraf en stapte een halve meter in de prut. Een leuke middag gehad! We vertrokken de volgende dag, want qua reputatie hadden wij al heel wat zaken op ons record staan. Na alles gepakt te hebben naar ons stekkie voor een stevig Jiddisch ontbijt en nog even met een Hollander en een Engelsman geleuterd. Tanken en op weg naar het stuwmeer, waar wij wilden zwemmen. Alles behalve dat, maar wel een leuk restaurant aan het meer met een goddelijk uitzicht en lekker eten.
We zijn vervolgens naar Vientiane doorgereden. We reden vlakbij de betonnen poort, welke moest tippen aan de Arc de Triomf maar dat duidelijk niet kon. Er waren wegwerkzaamheden en grote shovels maken sporen en ook houden ze het wegdek nat tegen de stof. Goed over nagedacht maar het geheel wordt er wel glibberig door, dus met een gang van 30 kmh gingen we op onze plaat. Je schrikt je de blubber en het eerste wat je doet is kijken naar je bikkel, die keek naar zijn Ketelbinkie. Snel de motor overeind en weer gaan met die banaan. De pest is wel, dat we net de motor, de motorpakken en de hele teringzooi schoon hadden gemaakt. Er was dus weer werk aan de winkel. Mart zei nog vlak voor de schuiver: "Misschien had ik toch beter de andere weg kunnen nemen". We wilden in hetzelfde hotel als waar wij de vorige keer ons intrekje hadden, maar alles was vol. Een ander hotel had keuze uit 3 kamers. 1 met eigen badkamer (USD8,-) en 1 zonder badkamer, maar wel een groot bed (USD7,-) en 1 van USD5,- met een bed zo groot dat als je een windje liet blies je de ander er zo uit. Die hebben we dus genomen en we houden ons gewoon aan de bedpoten vast. Er was weer werk aan de winkel en Mart heeft de koffer leeggehaald en liet deze uitdeuken. De man ging zo grof te keer, dat Mart in een poep en een scheet terug was onderwijl mompelend: "Laat maar zitten!". Onderwijl waakte ik over de schatkamer aangezien de kofferinhoud over de gehele kamer verspreid lag.
In Vientiane bevindt zich de Gouden Tempel wat echt het neusje van de zalm moest zijn, maar het is niet alles goud wat er blinkt. Hier kwamen wij snel achter. Een betonnen bak zonder sausje. Je zou het kunnen omschrijven als de reus zonder hart. De volgende dag bleek het bloed weer te kruipen waar het niet gaan kan en dus gingen we weer op weg om een 'lusje' te gaan maken. We volgden de Mekong rivier zuidwaarts. Het landschap was anders dan aan de Thaise zijde van de Mekong, minder uitgestrekt. We zijn de weg nummer 8 opgedraaid richting de Vietnamese grens, en we bevonden ons weer in en tussen de bergen. Prachtige ruige rotsen met gekartelde scherpe randen, alsof zij waren afgebroken en een ongerepte natuur. Na het ondergaan van de zon een shelter op 15 meter hoogte van de weg gevonden. Eigenlijk per toeval, omdat er een fotostop was ingelast. Iets verder doorgereden voor water. De man sprak vloeiend Frans en kon veel informatie geven. Maakte ons nog vastberadener om niet door te rijden. Snel alles voor de nacht uitgestald. Samen gekookt en met de ingrediënten een heerlijke maaltijd in elkaar gezet, al was Mart door de romantiek overvallen even de rijst vergeten in de gaten te houden. Tijdens het kussen rook het ineens een tikkeltje verbrand, dus alle hens aan dek en snel water erbij. Echte droge rijst zou het niet worden. Vis moet zwemmen, dus een lekker biertje erbij en genoten van de enorme rust en bovenal het prachtige uitzicht. We doken vroeg onze mand in en Rosie stond daar beneden moederziel alleen, maar kwam aan aandacht niets tekort. Met de gedachten aan slangen en schorpioenen de ogen gesloten, want het muskieten net kon niet afgesloten worden, omdat Mart zijn schuitjes als buitenboord motor dienst deden. Beetje frisse lucht kon overigens geen kwaad.
De volgende ochtend stond de zon als een rood lampje aan de horizon en de enorme stilte en het uitzicht deden ons intens genieten van ons vele sterren onderkomen. Lekker koffie gezet en we hadden nog een eitje, wat in hetzelfde water werd gekookt. Een luxe om de nieuwe dag in te wijden. Om 08:30 uur zaten wij alweer op de motor en de lage bewolking lag als een deken over de weg. De woeste, ruige rotsen afspiegelend om ons heen. Het was wat frisjes, maar de zon deed zijn best er doorheen te komen. In Lakxao op zoek voor een stevige brunch en gelijk de dagboeken bijgewerkt. Hier werd beslist welke weg wij moesten nemen. Het was slechts 90 km tot ons volgende doel, maar om daar te komen werd ons verteld om dezelfde weg terug te rijden. Nee, op de kaart staat hier een highway naar het zuiden. Toen na enig nadenken zei de restaurant eigenaar dat de weg wel begaanbaar was omdat we om de motor waren. De manier waarop hij dit zei had ons echter moeten waarschuwen maar wij hoorden alleen precies datgene wat we wilden horen: we konden er door. De weg naar een echte hel. Het asfalt hier al snel buiten Lakxao op en de weg werd smaller en smaller en smaller. Gelukkig werd de weg nog zeer regelmatig gebruikt door brommers zodat er meestal wel een smal spoor goed begaanbaar was. Niet altijd trouwens aangezien er af en toe flinke modderpoelen in zaten. Ik moest dan even afstappen en gingen we gescheiden door de moeilijke passage heen. Helaas voor mij waren dit altijd de modderige stukken of steile stukken omhoog zodat het ook voor mij niet altijd even eenvoudig was. Het eerste obstakel was een brug over de rivier. Nou ja brug... het brommer spoor ging over een smalle brug van zo'n 50 cm breed. Behalve dat dit wel heel smal was om de voeten naast de motor aan de grond te houden zag het er ook nogal gammel uit. Het alternatief was het spoor door de rivier volgen waar ik uiteindelijk ook voor koos.

De motor had zich met z'n achterwiel te diep ingegraven
Zonder problemen door het water gekomen maar toch dacht Mart erover om terug te gaan. Na 10 van de 90 km al dit tegen komen, hoe slecht zou het verder dan wel niet worden? Maar aangezien we dezelfde weg terug moesten en ik eigenlijk niet wilde opgegeven in overleg besloten er voor te gaan. De weg (wat niet meer was dan het brommer spoor) veranderde in een jungle en vanuit de jungle bemerkten wij, dat wij bespied werden. Over de weg lagen bomen, welke wij moesten omzeilen en Martin was echt geweldig in het maneuvreren en het omzeilen van obstakels. Zijn super mooie lange benen waren ook een cadeautje en bespaarde een hoop zand happerij. Onbegrijpelijk dat als er een boom over het pad valt deze niet in stukken gekapt wordt en weggehaald. Nee in plaats daarvan hakt men de jonge planten in de berm weg om zo een smal pad om de gevallen doom heen te creeren. Bij de moeilijkste onderdelen liep ik naar boven, want met de bagage en zijn Ketelbink achterop zou het averechts uitpakken. Het moeilijkste kwam toen we helemaal alleen in de bush waren. We moesten een beekje van niets door. Geen enkel probleem ware het niet dat de kapitein niet gezien had dat de helling te steil was. Rosie kwam vast te staan en het achterwiel had zich lekker ingegraven. Ik miste de kracht om die knoeperd op te tillen. Dus alle instructies van mijn kapitein nauwlettend opvolgen. Alle bagage werd er afgehaald en toen kwam het echte bikkel werk. Mart hield Rosie schuin waarbij de benzine liep het water in via de ontluchtingsslang (maar dat was op dat moment wel het kleinste probleem). Mijn armen waren tekort om er stokken onder te krijgen. Je moest oppassen voor de band, dus op een gegeven moment ben je al zeiknat doordat je in een onzichtbaar gat stapt en bijna tot je kruis in het water staat. Met je bergschoenen barstensvol water kan alles je je reet roesten, zoals Erik dit mij geleerd had te zeggen. Dus ook maar op mijn knieën in het water en de stokken zo ver steken, dat Rosie weer adem kon halen, want inmiddels was ze al zover weggezakt dat het nummerbord al deels in het water verdwenen was.Gelukkig had ik mijn werk goed gedaan en met vereende kracht lukte het ons om haar weer verder uit het water te laten steken, maar helaas lukte het ons niet haar vooruit te krijgen. Ik besloot enkele kilometers terug te lopen naar het laatste gepasseerde dorp om hulp te halen en Mart gilde mij nog na: "Neem minimaal 3 man mee", terwijl hij achter bleef om de motor vast te houden in het water. Ik voelde mij niet echt prettig (zonder mijn Tarzan om mij heen). Ik was net 1,5 km verwijderd van de plek des onheils, toen er 3 mannen op mij afkwamen lopen. Met handen en voeten en vooral na het tonen van mijn sterke spierballen en natuurlijk bij het aanschouwen van mijn zeiknatte outfit begrepen zij genoeg. Er werd gelachen door ze, maar de boodschap was duidelijk. WIJ HADDEN HULP NODIG EN SNEL! Het eerste wat ik Mart toegilde was, dat zijn profetische voorspelling vrucht af had afgeworpen en de voorzienigheid van boven sneller was, dan zijn noodkreet. Die jongens waren geweldig en met vereende krachten kwam Rosie er snel uit. Iedereen heel hartelijk bedankt, de bagage weer opgeladen en met soppende schoenen (nu was het een nadeel dat ze waterdicht waren) weer verder gereden nieuwsgierig/angstig wat ons om de volgende hoek te wachten stond. De hindernissen die volgden waren niets bijzonders meer, totdat.....

De betonnen brug waar een klein stukje van ontbrak
>Op de kaart stond halverwege de route een dorpje op de kaart. Rond de klok van 16:00 uur kwamen wij aan bij het dorpje, Nam Theung, dat echter aan de overzijde van de rivier lag. Maar geen nood er lag een betonnen brug... totdat wij dichterbij kwamen. Het eerste stuk van de brug was er niet meer en ingestort. We moesten eerst steil afdalen naar de oever van de rivier door mul zand, dan door het water door modderig zand en vervolgens omhoog over de betonbrokken de brug op. Geen haar op Mart zijn hoofd die er aan dacht dit alleen te gaan proberen. We hadden hierbij externe hulp nodig. Door het late tijdstip waren er veel mensen naar de rivier gekomen om te baden en dat betekende voor ons de noodzakelijke hulp. Een man kwam direct op ons toe. Hij bleek niet te kunnen praten maar daar zouden we toch niets aan gehad hebben. Via gebaren maakte hij duidelijk hoe de motor door de rivier moest en zij zouden helpen. We hadden meer dan genoeg afgezien vandaag, een hel maar we hadden deze zelf opgezocht al kunnen we ons altijd nog achter de kaart verschuilen. Mart vroeg wat we moesten doen en met het dorp aan de overzijde Mart gezegd door te gaan, want er was geen weg terug. We wisten niet wat er nog meer kwam, maar erger dan dit kon niet. Alles van de motor gehaald en de tranen rolde over mijn gezicht, want ik wist dat mijn Mart de afdaling nog moest doen. Echt een bikkel is hij. De man welke niet kon spreken stond aan zijn zijde. De steile oever samen met hem bedwongen en aan de waterrand nog hulp van 2 anderen gekregen waardoor we de motor door het water en op de brug kregen. Ketelbinkie hield zich vanaf de brug bezig met het vastleggen van de taferelen op de gevoelige plaat. Hierdoor krijgen jullie kiekjes die hij nooit eerder heeft kunnen maken, bofkonten.
Bij de laatste foto welke ik nam gilde Martin of de uitstekende cilinders niet tegen het beton liep. Het waren de valbeugels die de brokstukken raakten. Alles ging goed, maar nu moest Ketelbinkie in actie komen en bij de steile weg omhoog heb ik de spanband om de voorvork gedaan. Als een trekpaard om mijn middel en helpen trekken. Als de motor achteruit zou schieten zou ik van de betonnen rand vallen, dus met groot vertrouwen in mijn bikkel heb ik het gedaan. Echt teamwork en de mensen waren geweldig. Rosie en wij hadden het gehaald! We reden naar het dorpje wat bestond uit niet meer dan bamboe huisjes. Veel mensen zien dit als een teken van armoe, maar zo eenvoudig is het niet. 9 Maanden van het jaar regent het er nagenoeg niet en heb je niet meer nodig dan een hut met gaten waar de wind doorheen kan waaien ter verkoeling. Bamboo is overal ruim beschikbaar en de mensen leven toch nagenoeg buiten hun hut. In het dorp konden we slapen. In een oude winkel stond een bed en de hut was open, dus iedereen stond ons te observeren. Wij waren echter al lang blij met een echt bed, het was meer dan waar we op hadden durven dromen. Kinderen in grote getallen bijeen. Wij kwamen voor hun van een andere planeet en Rosie werd uitgebreid bewonderd. Onze redder kwam langs. Nu moesten we nog wat te eten zoeken. Bier en kleefrijst was alles wat we vonden. Met onze noodvoorraad een koningsmaaltijd gemaakt. Na het eten kwam onze redder weer langs om te kijken of we goed verzorgd waren. Hij had een grote houtsplinter in zijn voet gekregen tijdens de reddings operatie. Onze waterstofperoxide werd tevoorschijn gehaald en de jodium en met heel veel liefde zijn voet verzorgd. De vrouwen van het dorp giechelden terwijl onze redder zich de koning te rijk voelde dat hij het middelpunt van ieders belangstelling was. Ons bier met hem gedeeld en hem een pakje sigaretten gegeven. Je spreekt de taal niet, dus hem foto's uit Holland laten zien. Vooral Belle (onze dik spekkige Labrador) deed het goed. Op dat moment deed het mezelf ook goed om de kiekjes van een stralende Marie Louise terug te zien en een mislukte foto van Dingeman. Maakt niets uit je beseft op zo'n moment hoe rijk je als mens bent. Door de het gebrek aan communicatie is het moeilijk praten met de bevolking zodat ik hen 's avonds maar 'boter, kaas en eieren' heb geleerd. Ze pikten de regels snel op en konden het uiteindelijk zelfs onderling spelen.
Wij waren zielsgelukkig met ons bed. Er stond een plank en deze voor het slapen gaan eronder gelegd. Intens koud waren wij. We liepen op blote voeten en onze natte schoenen en sokken hebben wij te drogen gezet. Er kwam een stoot water uit de schoenen en de volgende dag dezelfde zooi weer aan. Ongewassen, maar met schoon gepoetste tanden het mandje in. Je was intens koud en bijna niet warm te krijgen. Heel dicht tegen Mart aangekropen. Aan die luxe ontbreekt het ons nooit. Over luxe gesproken! De mensen hebben hier geen toiletten. Midden in de nacht een plekje zoeken met het licht van de volle maan om te gaan plassen. Je went eraan hoor en met zo'n sarong aan doet het je denken aan de tijd van de Franse hofdames. Op je hurken en nergens bij na denken. De volgende morgen werden wij al vroeg met een groot publiek wakker. Tja, wat zullen wij ervan zeggen. Zonder blikken of blozen stapte Mart in zijn natte sokken en schoenen. Zijn nufje stelde dit uit tot het laatste moment. Hier zag ik dus echt tegen op. Mart ging in alle vroegte naar de rivier om de afwas te doen en een lekkere kattewas. Ik lette op de spullen. Het was frappant zoveel respect een ieder voor ons had. Er werd door niemand onze hut betreden, alleen als wij het vroegen. Als ontbijt was er kleefrijst, aangevuld met de honing van Albert en Danny, was een welkome traktatie. Mart mocht mijn portie ook hebben en dat had hij wel nodig. We kregen pas nog bericht van Mappe en Marloes uit India, dat hij veel op Ghandi leek. Een goeie haan is niet vet, maar niet overdrijven. Onder begeleiding van het dorp werden wij uitgeleide gedaan. Een onvergetelijke ervaring en de mensen waren zo arm, maar zo oprecht hartelijk en... gelukkig.

Na alle passages was dit een makkie!
Wij vervolgden onze weg door de delta en het was vlak. Veel zand paden en ik pakte Mart weer even stevig in zijn middel. Hij vraagt dan altijd of ik wil sturen en dan schieten we samen in de lach. Maar bij iedere brug begon ons hart snel te kloppen. We zagen een vrachtauto, maar deze stond stil. Het kon een goed, maar tevens een slechte voorbode zijn. Het was het laatste. Hij stond stil voor wat eens een brug was geweest. Er waren slechts 2 dikke balken over met 1 grote spleet daartussen. Aan de overzijde waren 4 vrouwen. We gingen kijken naar het waterballet of daar een weg door te banen was, maar durfden dit niet aan (die vrachtauto had het anders ook wel gedaan). We hadden de vorige dag genoeg leergeld betaald en wisten deze situatie goed in te schatten. Een weg terug was er niet, dus wij moesten erover heen. De rol werd van de motor gehaald. Een oudere vrouw en ik haalden boomstammen weg om de spleet (waar zelfs het achterwiel doorheen kon zakken) mee op te vullen. Mart dook onder de brug voor de wat zwaardere stammen. Zonder 1 woord te spreken hielpen de vrouwen mee. Topvrouwen!!! Eén van de vrouwen haalde haar vlijmscherpe kapmes voor de dag een hakte een dikke boomstam op maat door. Ze werkten mee als mannen en deden er niet voor onder. Martin werd begeleid door 4 vrouwen en Rosie kwam zonder kleerscheuren aan de overzijde. We hadden alleen een snoepje en dat werd dankbaar aangenomen. De koeien die gehoed werden door de vrouwen waren reeds door het water geparadeerd en ieder ging zijn weegs. Het is niet te vergelijken met enige weg in onze Nederlandse samenleving.
De laatste hindernis was een bruggetje, welke bestond uit hele dunne balkjes. Op hoop van zegen, maar eng was het wel. Geheel vrijblijvend mij aangeboden Mart zijn fotografe te zijn, wat me aardig gelukt is. Uiteindelijk zagen weer de eerste stenen gebouwen en nadat we op de gravelweg waren gekomen wisten we zeker dat we het ergste hadden gehad. Nog nooit zo dankbaar geweest voor gravel. Meestal kneep ik hem dan, maar geen moment twijfel ik meer aan Mart zijn ervaring. Deze weg ging over in een weg van rode aarde met grind. Mart trok het gas lekker open, maar op een gegeven moment mocht het voor mij een onsje minder. In dit opzicht houdt hij wel rekening met me. Vrouwen rijden niet altijd beter, maar wel overwegend met wat meer beren op de weg (deze blijken er dan uiteindelijk, net als een fata morgana, niet te zijn) . Er mocht maar weer wat over de weg vliegen. Als er een vrachtauto langs kwam, dan was er even totaal geen zicht meer. Huisjes, bomen, rotsen alles zag rood van de rode aarde. Wij onderwijl ook, maar aan ons kon niets meer verpruts worden. We waren al vies en we zouden nog wel viezer worden tijdens de reis. De hoofdweg naar Savannakhet was in perfecte conditie (= asfalt zonder gaten) en werd met de nodige speed weggeblazen en het enige wat wij wilden was gewoon een guesthouse en een douche, want wij stonken als beren en waren hondsmoe. We hebben een rustig plekje gevonden. Onderweg de flessen met waspoeder en kerosine verloren. De spanband had tegen de uitlaat gezeten en was doorgesmolten.Savannakhet is een plaats aan de Mekong rivier die hier de grens vormt met Thailand. Het staat vol met huizen, welke je aan de Franse cultuur doen denken. Het mooie is, dat je een huis ziet dat qua architectuur hoog scoort en dan voorzien is van een golfplaten dak. In de oude stadskern staat een wit kerkje en een tempel. Het heeft een leuke locatie en dit spreekt ons aan in deze stad. Het is levendig en niet vergeven van de toeristen. Al kunnen wij niet snel genoeg onze biezen pakken om verder te gaan. Een dagje rust kan geen kwaad en iedere keer weer heb je tijd nodig om de motorspullen en de schoenen weer een beetje toonbaar te maken. Onze schoenen hebben veel te lijden van de blubber. De helmen hebben van binnen en van buiten een rode gloed, welke lastig te verwijderen is. Laat staan als wij onder de douche stonden. Het water had meer de kleur van ranja, zonder rietje en een nagelborstel in plaats van een washandje is ook geen luxe. Al zou een washandje een heel luxe artikel voor mij zijn. Het zou je bijna op een idee brengen.
De laatste etappe door Laos was naar de Vietnamese grens. De reis naar Xépôn was niet de gemakkelijkste. De weg (weer een highway op de kaart, maar deze keer zelfs nog van de hoogste categorie) was heel erg slecht. De gemiddelde snelheid daalde tot ver onder de 50 kmh. Ze waren bezig met de weg en het ene moment kwam je ogen tekort kwam voor de gaten in de weg, het volgende moment had je ze nodig om alle flinke stenen te ontwijken. Het was echter wel 199 km over de meest belabberde weg. Toen wij (na 9 uur!) arriveerden in Xépôn waren wij meer dan gesloopt. Diezelfde dag arriveerden er een Nederlands stel, Marc en Manon (met een onverbloemd Lichtenvoords accent!) die op de fiets onderweg waren. Zij kwamen net uit Vietnam, de weg die wij nog moesten gaan. Met de informatie over de gesteldheid van de wegen zijn wij de volgende ochtend niet al te laat vertrokken. Ook deze ochtend werden wij op een zeer luidruchtige wijze gewekt om vijf uur in de morgen.
De weg naar Vietnam bezorgde ons grijze haren en iedere schok deed je knieën geen goed en Rosie kermde net zo hard mee. Onderweg zagen wij een generator staan en er werd gelast aan de zware werkvoertuigen, dus Rosie was niet de enige die te lijden had. Ze waren ook op dit traject met de weg bezig, maar het grote probleem is hier dat men overal bezig is maar niets af lijkt te maken. Van de 250 km van Savannakhet naar de Vietnamese grens was slechts 25 km geasfalteerd. De overige 225 km verkeerde in wisselende staat. Het varieerde van alleen wat borden met waarschuwingen, gekapte bebossing langs de weg nadat men er met een metaal detector (zwaar gebombardeerd in de Vietnam oorlog) gecontroleerd had tot alle verschillende lagen van de weg.
Bij de grens van Lao Bao wachtte ons nog een leuke verrassing! Zonder veel poes pas verlieten wij de grens aan Laos en de mensen waren erg hartelijk. Een ander ontvangst comité stond aan de Vietnamese zijde. Drie mannen in uniform stonden ons op te wachten. Een jonge dictator sommeerde mij om naast de motor te gaan staan op een manier, waar de honden geen brood van lusten. Ik kon het niet laten hem met een zeer diplomatiek antwoord duidelijk te maken, dat ik hem begreep. Het liefst had ik hem een rotschop onder zijn hol verkocht. Na mij was Martin aan de beurt. Zijn karakteristieke kop en zijn ogen spreken altijd boekdelen, dus wij waren twee handen op één buik. Na gecontroleerd te hebben of we een visum hadden werd Mart gesommeerd de motor te laten staan en ik mocht pas verder rijden als het mij lukte om het carnet gestempeld te krijgen. Rosie moest dus achter blijven, maar ik week geen moment van haar zijde terwijl Martin het carnet af ging stempelen. We beleefde ieder op eigen wijze ons bezoek aan de grens. Het woordje "didi" is goed om te onthouden. Dit betekent: "wegwezen" (beschaafd uitgedrukt). Je wordt bestormd door mensen, die geld willen wisselen en ze zaten overal met hun jatten aan. Nu ben ik van nature zacht van aard, maar je leert op zo'n reis, dat je soms met gelijke munt moet betalen. Er was een jongen van de immigratiedienst welke redelijk Engels sprak en ik met mijn Vietnamese woordenboek hem getracht te begrijpen als hij een Engels woord niet wist. Hij stond mij verbaal goed bij.
Bij de douane keken ze al niet eens meer of we een visum hadden, men was alleen geinteresseerd in het carnet. Alles heel aandachtig bestudeerd en men kwam toen tot de conclusie dat we er niet in konden aangezien onze motor meer dan 175cc had en dan is Vietnam een taboe. Nee, er waren reeds meerdere motoren geweest en allen waren terug gestuurd. Mart heeft geluld als brugman en hen gewezen op het feit dat Vietnam ook als deelnemend land aan het carnet vermeld stond, dat hij het land er zelf bij getypt had heeft hij maar niet gezegd. Dat zaaide vertwijfeling helemaal doordat hij ook zelf Laos er bij getypt had en daar had men het carnet ook geaccepteerd. Hij slaagde er in tweedracht te zaaien en uiteindelijk besloot men om extern advies in te roepen en ging men bellen. Toen was ons lot bezegeld werd er een definitief NEE afgegeven. Nog geprobeerd hen te overtuigen dat anderen er wel in waren gekomen maar dat was onmogelijk. Mart was er van overtuigd dat Steven het hier wel gelukt was doorheen te komen maar achteraf bleek ook hij een andere grensovergang genomen te hebben. Een andere grensovergang konden we niet proberen aangezien het punt van binnenkomst op het visum vermeld staat en dus hadden we beiden een onbruikbaar visum van ruim ~Fl. 45,38 p.p.! Een duur souveniertje.
Op het moment dat Martin terug kwam had ik al zo'n donkerbruin vermoeden, welk lot ons zou treffen. Wij mochten er wel in, maar dan zonder Rosie. Wat het ergste was is het feit, dat we dezelfde klotenweg weer terug moesten. Ik had nog graag mijn middelvinger naar onze kleine dictator opgestoken, maar de woorden van Ed: "Rust kan je redden" en niet wetende wat de straf voor het beledigen van een ambtenaar in functie (alhoewel welke functie) zou zijn deden mij hiervan weerhouden. Je kiest dan toch maar eieren voor je geld.

Geen koffie, maar wel een verkwikkend drankje
Bij de grens van Laos stond de koffie nog net niet klaar, maar het scheelde niet veel. Daar konden we Laos niet in aangezien men ons reeds uitgestempeld had en we een 'single entry' visum hadden. Wij legden echter uit wat ons was overkomen. Ze deden wel een beetje moeilijk, maar wij ervaren rotten wisten hun uit te leggen hoe je moeilijke dingen vereenvoudigd door een simpel stempeltje. We konden nog een week in Laos blijven en ze hoefden allen maar ons uitreisstempel ongeldig te maken. Dus op onze uitreisstempel kwam 'Cancelled' te staan. Het carnet uitreisstempel wilden ze echter niet ongeldig maken, maar dit kon ons op dat moment geen reet schelen aangezien nu volgens de papieren de motor niet meer in Laos was terwijl we er nog wel reden: onduidelijke logica. Dus weer terug naar Xépôn. We hadden nog geen 10 km gereden toen ik een raar geluid hoorde bij de koffers. Je voelt aan de sloten en tijdens het rijden inspecteer je waar het geluid vandaan komt. Net zoals Mart feilloos mij aanvoelt herken je ook het geluid als er iets niet klopt. Eerst dachten we dat de achtervering wel heel vaak doorsloeg (lekke veer?). We zijn gestopt en na inspectie bleek dat het frame voor de bevestiging van de rechter koffer op twee van de drie steunpunten was afgebroken. Uitgerekend nu bleek dat de twee reserve spanbanden, welke altijd voor het grijpen lagen, onderin de rol waren beland. Geen gemaar, zak open maken en je hele marktwaar zo goed mogelijk op de motor uitstallen en graven maar. Met kunst en vliegwerk de koffer aan de motor vastgesnoerd. We hadden nog de wetenschap van de aggregaat en het lasapparaat wat wij onderweg hadden gezien in ons hoofd. Nadat wij 15 km voorzichtig onze weg hadden vervolgd zagen wij onze redders. Met handen en voeten laten zien waar het aan schortte en iedereen schoot meteen te hulp. Binnen een half uur was de boel weer gelast en hingen de koffers weer in hun normale vaste positie. Onze koffiesnoepjes doen het goed en fungeren de laatste tijd veel als 'blijk van dank'. De hartelijkheid van de mensen is overweldigend. We kwamen aan in Xépôn en werden enthousiast ontvangen door onze Nederlandse fietsvrienden die toch besloten hadden een rustdagje in te lassen.
Deze dag was mijn dipdagje en na een verkwikkende douche en Mart als hartversterker was er achter de wolken toch de zon. Er waren nog twee mensen aangekomen en zij waren onderweg naar Vietnam alleen op de fiets dus vielen zij wel onder de 175cc limiet. Alison en John en waren helemaal uit Australië komen fietsen in 7 maanden! We hebben ervaringen uitgewisseld en een leuke dag gehad met elkaar. De volgende dag vertrokken verder terug naar Savannakhet. In eerste instantie baalden we enorm dat we met Rosie Vietnam niet meer in konden maar na een nachtje slapen ziet de wereld er vaak heel anders uit. Zo ook nu. Erik zou over 2 dagen in Bangkok arriveren en we wilden wel samen de Kerst doorbrengen, maar we wisten niet waar en Erik wilde niet met openbaarbaar vervoer naar Vietnam, dus moest dat Cambodja worden maar dan moesten we Vietnam snel afraffelen, kortom we waren er nog niet uit. Dat probleem was nu opgelost! Vanuit Laos konden we nu terug Thailand in en terug naar Bangkok om Erik te ontmoeten. Het was dan nog steeds onduidelijk waar we de Kerst zouden doorbrengen maar in ieder geval wel samen en dat was het belangrijkste.
Onze resterende Kips hadden we bij Marc & Manon in USD terug gewisseld dus wilden we in Savannakhet eerst geld wisselen maar we waren om 15.33 uur bij de bank: drie minuten te laat! Dus door naar het Thaise consulaat waar we om 15:47 uur aan kwamen. het consulaat was nog open en ik werd super vriendelijk ontvangen. Mart bleef buiten uithijgen van de inspannende etappe bij Rosie. Het aanvragen van een visum voor Thailand kon alleen 's ochtends tussen 8.00 en 12:00 uur. Er werd mij gevraagd waar wij vandaan kwamen en uitgelegd wat ons was overkomen. Op zo'n moment gooi je al je charmes in de stijd. De volgende dag bleek het consulaat gesloten, want de koning van Thailand was dan jarig. Er werd voor ons een uitzondering gemaakt en wij kregen binnen een half uur ons visum mee. Super service!!!! We zijn als een speer naar de kade gereden en wilden zo snel mogelijk Laos uit om de ferry te nemen over de Mekong. Bij de afrit naar de ferry was een grote boom waarbij aan een tafeltje, de mensen van de immigratiedienst ons carnet inzagen en het direct terug gaven. Geen probleem aangezien het toch reeds uitgestempeld was. Voor de paspoorten moesten wij achter de een beambte aanlopen en kregen we ons uitreisstempel. Dat zorgde nog voor oponthoud aangezien er reeds een stempel in stond. Er stond wel een "Cancel-stempel" doorheen maar dat was alleen in Engels en als je geen Engels kent dan klopt er iets niet. Ons Vietnamese visum verduidelijkte veel en dus kon het tweede uitreisstempel geplaatst worden. Mocht ook wel aangezien iedere minuut telde maar we konden zo de veerboot oprijden. Ik kon bijna niet meer op mijn benen staan en was in mijn hele leven niet zo gesloopt geweest als deze dag.
Achter de grote tankauto's verlieten we de boot, alleen bleek de helling voor 1 tankauto te steil en deze bleef staan met slippende wielen. Maar snel gezorgd dat ik achter deze truck weg was maar het bleek uiteindelijk allemaal nog al mee te vallen. De formaliteiten in Thailand verliepen soepel en zeer vriendelijk Ons paspoort was snel gestempeld alleen moesten ze op een schoolbord nog snel uitvinden welke datum 60 dagen na 4 december was. Dit bleek 4 februari 2002 te zijn. Het douanegebouw was aan de overzijde van de straat. Alles stond uitnodigend open maar er was niemand in het gebouw aanwezig. Op de parkeerplaats waren enkele Thais aan het drinken, ook beambten maar blijkbaar niet voor zulke ingewikkelde werkzaamheden als het invullen van een carnet. We moesten even wachten en ik had grote problemen om op de stoep wakker te blijven. Al wachtende genoten we er van om weer in Thailand terug te zijn, winkels waar in je weer kunt kopen wat je hebben wilt en een hele relaxte atmosfeer. Na 20 minuten kwam er een meisje op een brommertje aanrijden en zei vulde het carnet in. Ondertekenen mocht ze het echter niet. Hiervoor kwam uit het niets een man in een indrukwekkend kostuum uit het gebouw te voorschijn die maar wat trots was op zijn handtekening. Dat mocht hij van ons ook zijn want wij hadden onze formaliteiten weer vervuld en konden in het donker op zoek gaan naar een hotel in Mukdahan. Het hotel deed ons denken aan een Hilton. Er stonden twee stoelen en er waren handdoeken en een grote badkamer. Een fijn bed en een bedlampje. We waren net twee kleine kinderen. Na een goede nachtrust was alle leed weer geleden en fris als een hoentje zijn we de volgende dag vertrokken richting Bangkok. Erik zou de volgende ochtend daar ook arriveren, maar we hadden nog 700 km te gaan en we wisten niet of we het in 1 dag zouden redden. Maar de wegen in Thailand waren zoveel beter dan waar in Laos dan ook dus schoten we goed op en dankzij de feestdag was het verkeer in Bangkok rustig. Ook de GPS leidde ons feilloos naar ons hotel.
De volgende ochtend moesten we er wel vroeg uit om Erik van de luchthaven af te halen, maar het verkeer was druk en we hadden niet veel tijd over voor Erik de schuifdeuren door kwam. Erik voelde zich de koning te rijk, toen wij daar geheel onverwachts er waren. Eindelijk waren de drie Musketiers samen om de reis verder voort te zetten.

Wordt zeker vervolgd,
De drie Musketiers