Reisverslag 21 Cau Treo (Vietnam,
10-02-2002) t/m Moc Bai (Vietnam, 17-03-2002)
Bij de Vietnamese grens kregen wij te
horen dat de heren van de douane aan het lunchen waren. De mensen van Immigratie
waren er wel maar we hadden eerst een papier van de douane nodig, en dus werden
wij vriendelijk verzocht te wachten tot 13:30 uur. Let wel, dat het op dat
moment slechts 11:15 uur was. Geen probleem aangezien we nog veel verhalen uit
te wisselen hadden en dus vermaakten we ons prima en verder gebeurde er veel
dingen tijdens het wachten. Een zeer vervelend heerschap van de immigratie
bijvoorbeeld pakte een boek over Vietnam uit Mark zijn handen. Deze kwallebal
was niet echt van plan dit boek terug te geven. Dit varkentje zou ik wel even
wassen en hij kreeg een koekje van eigen deeg. Het boek was binnen no-time
retour bij Mark en alles wat maar enigszins interessant was voor de heren, werd
achter slot en grendel geborgen (en dat was dus eigenlijk alles!). Het feest was
nog niet compleet en meneer wilde weten, wat er voor de Triumph Tiger was
betaald. Er werd gelogen dat het gedrukt stond, dit alles onder het motto: "Het
gaat ze niets aan!" De meest eenvoudige oplossing is te zeggen dat je het niet
weet aangezien je de motor van je vader cadeau hebt gekregen. Dus Pa, alsnog
enorm bedankt voor het schitterende cadeau!!!
Er werd waarachtig ook nog gewerkt toen er een bus met oa. backpackers aankwam.
Omdat zij geen motor bij zich hadden konden zij wel direct geholpen worden. Een
Zwitserse jongen kwam naar ons toe om te vragen of wij geld konden wisselen,
want ze wilden USD 3,- hebben voor het stempelen van zijn paspoort en anders
kreeg hij dit niet terug. Als je vervolgens moeilijk deed dan kreeg je bovendien
te horen dat je dit bedrag alleen in Vietnamese Dongs kon voldoen, maar je kon
er nergens wisselen en je kon ook niet verder Vietnam binnen. Probleem was dat
deze backpackers uiteindelijk allemaal eieren voor hun geld kozen omdat anders
de bus zonder hen zou vertrekken. Toen vervolgens wij dezelfde problemen hadden
hielden wij voet bij stuk. Enerzijds omdat we hierop voorbereid waren en
anderszijds hadden wij de tijd omdat we met eigen vervoer waren. Ik kan nog een
A4 volschrijven wat hier gebeurde en niet door de beugel kon. Ik begon steeds
meer te koken en de jongens moesten mij steeds even bijsturen. Blijven lachen en
dit deed ik dan maar, zij het met de grootste moeite. Wij hadden besloten om
geen USD 3,- te betalen. Het probleem was echter wel, dat motoren van 175 cc het
land eigenlijk niet binnen mochten. Het is de enige grens (voor zover ons
bekend) waar ze je wel de grens over laten gaan. Volgens onderlinge afspraak
zouden we maximaal USD 1,- per persoon betalen, want dit gaat al jaren zo en per
slot van rekening was het een zondag en moesten we het maar zien als een soort
weekend-toeslag. Maar meneer hield voet bij stuk en verlangde USD 3,-. Wij
hadden echter de tijd, dus lieten we hem met de paspoorten achter en gingen we
eerst naar de douane om de carnets af te laten stempelen. De motoren werden aan
een grondige inspectie onderworpen, en dan is het wel handig als je weet waar
het chassis- en motornummer zit (hè Mappe!!) en leesbaar zijn. Dit verliep
uiteindelijk allemaal zonder problemen en dus gingen we terug naar de immigratie
voor de paspoorten en kregen nog steeds nul op ons rekest. Martin en ik konden
de kerel wel over het bureau sleuren. Ik werd steeds kwader. Tijgertje was
wakker en wie niet sterk is moet slim zijn, dus liep ik naar de Douane. De meest
sympathieke persoon er uit gehaald en gevraagd of hij wilde helpen. We hadden
een probleem met de immigratie. Uitgelegd dat we bij de ambassade in Vientiane
waren geweest en deze had ons medegedeeld, dat we USD 55,- voor ons visum
moesten betalen om het land binnen te gaan. De jongen stemde toe en ging mee en
sprak met ons aardvarken. Uiteindelijk damde hij in en ging hij alle ingevulde
formulieren extra controleren en er moesten er oa. blokletters op formulieren
worden gezet en allerlei kleine onvolkomenheden. Philip, onze Belg, was zeer
diplomatiek en speelde het spel mee. Hij zei tegen ons aardvarken, dat het zeer
goed was dat hij alles zo goed doornam en zeer professioneel te werk ging en dat
wij wel heel erg dom moesten zijn dat we zoveel fouten maakten op zo'n klein
formuliertje. Twee van ons hadden inmiddels hun paspoorten terug gekregen. Hij
bleef bij zijn eerste versie en er moest USD 21,- betaald worden. Plan B hadden
wij reeds klaar op tafel liggen; als hij niet heel snel de paspoorten terug gaf,
dan zouden we ze zelf even gaan halen, snel de motoren starten en wegrijden
aangezien alle verdere formaliteiten reeds vervuld waren. De man koos echter net
op tijd eieren voor zijn geld en ging uiteindelijk over stag voor de USD 7,-.
Mark was al in het stadium, dat hij zelf al de extra USD 14,- wilde bijleggen.
Geen goed idee aangezien hij dan in het vervolg zeker deze prijs zou vragen en
zelfs zou verhogen. Het zotte was dat zelfs in de reisgidsen (LP) reeds melding
van deze 'extra kosten' wordt gemaakt zodat 2 Nederlandse backpackers het
gevraagde bedrag klakkeloos betaalden. Zo wordt een reisgids tot een bijbel
verheven wat te zot is voor woorden. Van mij zouden ze geen cent extra krijgen
en ik was er al op voorbereid om om te draaien en retour naar Laos te gaan.
Onrecht moet je in de kern aanpakken, maar van mij zijn ze nog niet af. Al moet
ik 50 brieven naar officiele instanties schrijven. Als niemand zijn stem laat
horen en gewoon betaald om van het gezeur af te zijn, dan zal er nooit recht
geschieden.
Maar goed, uiteindelijk konden we Vietnam dan toch binnenrijden al had ik
wederom een hele vieze smaak in mijn mond van dit land. Martin zag de bui al
hangen toen ik zei dat ik nog even wat moest doen. Hij liep snel achter me aan.
Als een briesende leeuw liep ik op hoge poten het kantoortje binnen. Met ogen
als vurige kolen die nog meer lava spuwde dan een inwerking zijnde vulkaan en
bijgestaan door de woorden: "You are a fucking asshole!". De kerel sommeerde mij
in zijn beste Engels: "You go out, out!!" wat ik ook direct deed. Of het echt
hielp weet ik niet maar het gaf op dat moment een zeer opgelucht gevoel, maar
veel liever had ik hem graag een klap op zijn kanes gegeven. Martin nam me snel
mee naar de motor en met zijn allen reden we dan eindelijk Vietnam binnen.
Tijdens het wachten was het beginnen te regenen waarbij we ons af vroeger of
deze weeromslag tekenend was voor de grensoverschreiding? In de miezerregen
reden we in kolonne door de regennevel. We hadden nog zo'n 87 km te gaan voor we
op DE hoofdader van Vietnam uitkwamen: De van verhalen beruchte Highway 1 die
Hanoi met Saigon (Ho Chi Minh City) verbindt. Eerst liep de weg door de heuvels
en was adembenemend. Rotsen en heerlijke bochten. Wel waren er af en toe een
modderstroom of rotsen naar beneden gevallen. De jongens hadden hun handen vol
om alle obstakels te omzeilen, welke zich op onze weg bevonden.
Bij Highway 1 wist Philip, die als enige eerder op de motor in Vietnam geweest
was, een plek waar we (zelfs op zondag) geld konden wisselen. Omdat het
inmiddels ook reeds 17 uur was hebben we er ook maar een hotel gezocht. Het
leven is hier iets duurder dan in Laos. Philip en ik vonden het leuk om te
pingelen. Het eerste hotel bleek volgens zijn woordenschat een 'hoerenhotel' te
zijn en de madammekes vroegen USD 10,- per nacht. Veel te veel! Dus besloten we
een paar deuren verder te gaan. Dat kostte 'slechts' USD 6,- voor een kamer waar
(naar later bleek) het water langs de muren liep en het bed nat van het vocht
werd (dit overkwam uiteraard Erik weer!), maar het was slechts voor één nachtje,
dus daar slaat een biker zich wel doorheen. Met ons zevenen hadden we wel 3
kamers nodig en er werd door Philip en mij beslist, dat de kamers genomen en
gedeeld zouden worden. We hadden overigens geen keuze aangezien men slecht 4
kamers beschikbaar had en van de vierde kamer de deur niet afgesloten kon
worden. Wij sliepen met zijn drietjes op de kamer, want Philip wilde wel bij
Martin en mij slapen. Verder sliep Mark met Simon en Erik met Ennio samen.
Gelukkig had elke kamer 2 bedden en moesten dus alleen Martin en ik samen in 1
bed slapen maar dat was geen enkel probleem. Het was erg gezellig met onze Belg
op de kamer. Het douchen was een belevenis aangezien je de luiken dicht moest
trekken maar die steeds open waaide waardoor je poedelnaakt voor de buren
zichtbaar was totdat je het luik weer (eventjes) dicht trok. Verrassend kwam er
wel warm water uit. Maar toen we alle drie gedoucht hadden bleek dat we de
boiler met de buren (Mark en Simon) deelden en deze geen warm water meer hadden.
Het vinden van een goed diner gaf wel de nodige voeten in de aarde, aangezien
het enige dat er te krijgen was alleen noodlesoepjes of droge rijst bleek te
zijn. Mark was er het minst blij mee en stak zijn ergernis niet onder stoelen en
banken. Voor de rest gold echter dat we moesten roeien met de riemen die we
hadden en aten dus wat de pot schafte. De noodlesoep en droge rijst samen met
kip als een schoenzool en steenkoud opgegeten. Met bier bleek dat je veel weg te
kunnen spoelen en we hadden verder nog de mogelijkheid om op straat koekjes te
kopen, wat echter ook niet echt een koningstoetje bleek.
Tijdens het eten discussieerden we over de vervolgroute. Alleen Philip en Simon
waren van plan om noordwaarts te reizen naar Hanoi en de rest wilde richting
zuiden. Martin en ik gingen als eersten overstag. Na enkele primitieve weken in
Laos wilden we onszelf wel weer eens verwennen met fatsoenlijke bedden en
maaltijden. Langzaam ging iedereen overstag om in ieder geval naar Hanoi te
rijden, mede omdat Hanoi slechts 350 km verderop lag. Dus gingen we allen slapen
met idee dat de kolonne morgen noordwaarts zou rijden. De nacht verliep rustig
alleen kwamen er in de eerste uren veel lokalen voorbij, want een kans om 6
grote motoren gelijktijdig te zien hadden ze niet zo vaak.
De volgende morgen opende Philip vrolijk de deur om een glimp van het
buitenleven op te vangen. De deur ging net zo snel weer dicht als hij open ging,
want... het regende! Buiten was het reeds een heen en weer geloop van bikers die
hun motoren al aan het bepakken waren, want de mispoche wilde zo snel mogelijk
vertrekken. Philip echter onderwierp zich nog rustig aan een poedelbeurt in de
emmer. Wij sloegen het wassen maar een keer over. Het vinden van ontbijt was
eenvoudig nu we wisten dat er niets te krijgen was: keuze tussen noodlesoep of
koekjes. Simon sloeg het ontbijt over aangezien hij het belangrijker vond om een
regenpak op de kop te tikken. Vanwege de regen waren we allemaal goed ingepakt
en leek het net een stel Michelin mannetjes op doorreis. In een grote kolonne
vertrokken we, wat overigens een mooi gezicht was. Het landschap was erg
verrassend en ondanks de regen zagen we kans om te genieten en de vele indrukken
in ons op te nemen. Het verkeer op Highway 1 bleek enorm mee te vallen, zeker
voor een maandag. Philip vertelde dat het normaliter veel drukker is. Er waren
wel vrachtauto's maar er was weinig 'langzaam' verkeer. Geen probleem voor ons,
nu konden we tenminste doorrijden en op tijd in Hanoi arriveren.
Deze motor heeft wel veel meer bagageruimte! |
Hoe dichter we Hanoi naderden, hoe groter de mierenhoop werd. Steeds meer
fietsen en brommertjes verschenen op de weg. Verkeersregels kennen ze blijkbaar
niet en men rijdt echt met oogkleppen op. Het bleek Chinees Nieuwjaar te zijn,
dus drukker dan ooit. Philip nam het roer over en loodste ons door Hanoi. Hij kent hotels
in de stad waar je je motor kan stallen, maar 6 motoren was niet een heel ander
verhaal, maar na wat rondvragen toch een hotel gevonden. 's Avonds met zijn
allen de stad onveilig gemaakt. Volkomen onverwacht bleek het uitgerekend
vannacht nieuwjaar te zijn en dus was er om middernacht een schitterend
vuurwerk, dat ongeveer een dikke 20 minuten duurde. Overal rond het meertje in
de stad stonden de mensen te kijken en de grond dreunde voortdurend onder onze
voeten. Het hele spektakel werd door militairen geleid en was het enige vuurwerk
aangezien er geen los vuurwerk afgestoken mocht worden. Dat maakte de sfeer wel
heel gezellig. Happy New Year en voor maakte deze show alles goed wat we tijdens
het magere nieuwjaar in Sukhothai gemist hadden. We deden het gewoon dunnetjes
over. Je zag op straat mensen die van alles aan het verbranden waren als een
onderdeel van een ritueel. Alle mensen hadden tijdens Chinees Nieuwjaar vier
dagen vrij en bijna alles is dan gesloten. Overal zag je mensen bij elkaar op
visite gaan en werd er in de winkeltjes met de hele familie gegeten en
gedronken. Het mausoleum van Ho Chi Minh was een grote poppenkast, maar al die
mooie zijspanmotoren die je zag staan waren om je mond bij af te likken.
Op Valentijnsdag was ik jarig en 's avonds waren we met zijn
allen naar een poppentheater gegaan. Het waren poppen in het water. Erg
kleurrijk en heel Chinees, maar supergoed gedaan. In een Riksja met zijn allen
de stad door en twee aan twee tortelend door de stad op weg naar een restaurant.
We hadden een super avond met elkaar.
Naarmate de dagen voorbij gingen was het ook voor ons de hoogste tijd om te
vertrekken. Het gewone leven kwam weer op gang en je had het gevoel, dat je
nergens meer fatsoenlijk kon lopen, overal om je heen brommertjes en mensen. Je
kreeg geen ruimte meer en dit was heel benauwend. Mart, alias 007, had het
gevoel om met messen in de hand links en rechts om hem heen te slaan om zo enige
ruimte voor jezelf te creëren. Als je dacht dat er in India veel getoeterd werd,
weet dan dat het altijd nog erger kan. Hier blijft hun hand gewoon plakken op de
toeter.
In Hanoi viel de groep uiteen. Philip had een vriendinnetje in Hanoi en bleef er
nog langer hangen. Simon wilde het bergachtige noorden van Vietnam bezoeken.
Ennio was reeds richting zuiden vertrokken in de hoop er wat meer rust te
vinden. Mark en Erik wilden ook zo snel mogelijk die kant op en besloten dus
Highway 1 te nemen. Wij wilden in ons eigen tempo verder reizen en Highway 1 zo
veel mogelijk zien te vermijden. Erik had ontdekt dat Vietnam niet zijn land was
en besloot linea recta naar Saigon te rijden. Eigenlijk had hij niet alleen
genoeg van Vietnam maar van het hele reizen. Hij had besloten om naar Nederland
terug te gaan om vervolgens naar zijn liefde in de Oekraïne te gaan. Tja als
Cupido toeslaat, dan zijn die kerels niet meer te houden.
Op zondagmorgen nog samen voor het laatst in Hanoi ontbeten en afscheid genomen
van elkaar. Wij zouden een weg door de bergen nemen, en dit bleek echt een super
rustige weg te zijn (toen we Hanoi eenmaal uit waren), dit in tegenstelling tot
de Highway 1. Eigenlijk was het er zo mooi dat we stonden te twijfelen of niet
langer in de bergen zouden blijven maar besloten dat toch niet te doen. Dus
reden we over Highway 14 zuidwaarts. Het was tegen het einde van de middag en we
moesten nog een plekje vinden voor de nacht zien te vinden. In een klein
plaatsje vonden we een hotel dat een super mooie kamer had. Ook de prijs van USD
9,- was OK. Toen ik hem accepteerde begon het gesodemieter. We moesten twee
kamers nemen!? Ik dacht het dus niet, maar vervolgens konden we er geen kamer
meer krijgen en moesten we 60 km omrijden naar de kust, naar Highway 1. In Thanh
Hóa, een grotere plaats werden van het kastje naar de muur gestuurd en was de
prijs gestegen tot USD 20,- per nacht. Al met al waren we begonnen om 16 uur met
zoeken en om 18.30 uur vonden we wat 'geschikts' (aangezien het donker werd). We
waren gesloopt en moesten nog gaan eten. We hadden een reclamebord met het
opschrift "Restaurant" gezien. We kwamen binnen en we kregen de menukaart.
Helaas stonden er geen prijzen bij. Het probleem is, dat als je de prijs niet
van tevoren vraagt ze je achteraf de 2- of 3-voudige prijs berekenen, alleen
omdat je een toerist bent. Poen, poen, poen en nog eens poen. We vroegen om de
prijs van de soep. Deze werd opgeschreven en onderwijl word je uitgelachen. We
hadden er zo de kots van en bij het volgende gerecht werd het de kiloprijs
opgeschreven en dus weet je nog niet hoe veel het kost. We waren Vietnam al meer
dan zat, zodat we zijn opgestaan en vertrokken. Martin had zachtjes gezegd de
'P' erin en stak dit niet onder stoelen of banken. Uiteindelijk een plaats
gevonden aan de straat waar we rijstesoep konden krijgen. Ik had de hele dag al
niets gegeten, dus het smaakte dit eenvoudige eten als een gebakje. Het was warm
en voedzaam. We liepen naar huis en de gehele tijd was ik positief gebleven.
Door Martin zijn gekanker sloegen bij mij uiteindelijk ook de stoppen door,
ondanks dat het feit dat zijn fustratie niet persoonlijk naar mij gericht was.
De volgende dag weer dezelfde 60 km terug gereden om Highway 14 te kunnen
vervolgen. Het verkeer was om gek van te worden. Martin kreeg weer een
adrenalinestoot en kreeg de neiging om, als ze hem in gevaar brachten, spiegels
er af te gaan trappen. Ketelbinkie moest de Kapitein soms terug fluiten al had
het matroosje graag ook een paar tikken uitgedeeld aan die idiote wegpiraten.
Highway 14 bleek over te gaan in een onverharde weg waar niets meer aangegeven
stond zodat je op splitsingen maar moest gokken zodat we uiteindelijk in een
klein dorpje voor de rijstvelden stil kwamen te staan. Dit had geen zin, dus een
rechtsomkeer gemaakt en weer, voor de derde maal!, dezelfde 60 km terug gereden.
Ondertussen werd er heel wat gerelativeerd op de motor en moesten we duidelijk
onze mening aanpassen. We dachten dat Vietnam was zoals India maar dat was het
dus duidelijk niet. We besloten om toch te proberen om positief te blijven en
het land verder zo snel mogelijk te verlaten, doch wel naar Cambodja.
's Avonds weer van het kastje naar de muur gestuurd. In een grotere stad was
eerst geen hotel te vinden en behulpzaam zijn de meeste mensen ook niet. Meer
dan een noodlesoepje als diner was er (weer) niet te krijgen dus dit maar met
een biertje aangevuld en snel gaan slapen. We reden de volgende dag naar Hué en
onderweg hadden we besloten om de ondergrondse tunnels te bezoeken in Vinh Moc.
Doordat de Amerikanen het hele dorp gebombardeerd hadden had de bevolking
besloten ondergronds te gaan leven. Onze gids was een sympathiek mens en onder
andere zijn ouders hadden meerdere jaren in deze tunnels geleefd. 200 mensen
hebben bijna twee jaar aan de 28 km tunnels gegraven Er zijn drie niveau's en
het diepste niveau is 22 meter onder de grond en deze was diep genoeg om de
Amerikaanse bombardementen te weerstaan. Er waren 13 uitgangen en er leefden 400
mensen in de tunnels. Erg indrukwekkend om te bezichtigen! De eerlijkheid gebied
wel te zeggen dat deze tunnels aan de kust ook gebruikt werden om de Vietcong
met wapens te bevoorraden aangezien de tunnels zich heel dicht bij de
demarkatielijn bevonden die Noord- en Zuid-Vietnam van elkaar scheidde. We
hebben verder nog een tocht door de omgeving gemaakt en genoten van het uitzicht
op zee voordat we weer op de hoofdweg uit kwamen en naar Hué reden.
Hué is een stad is met dezelfde Franse invloeden als Hanoi. Restaurants in
overvloed (aangezien dit een toeristische trekpleister was) en we hadden het
gevoel om weer even op adem te kunnen komen, want we hadden al dagen het gevoel
rond te rijden met een lege batterij (in dit geval onze menselijke batterij).
Tijd voor de was en het even komen tot jezelf. Boeken doen wonderen en een
gewone maaltijd ook. We kregen bericht, dat Mark nog in Hué was en die hadden we
vervolgens snel ontmoet. Het weer was wisselvallig, dus eindelijk tijd voor de
verslagen en het schrijven van mails naar huis. De eerste dag viel het weer nog
wel mee maar waren wij niet vooruit te branden en toen we de volgende dag actie
wilden ondernemen regende het nagenoeg de hele dag pijpestelen. In Hué bevind
zich een Citadel, welke stamt uit 1804, waarin zich de verboden stad bevindt. De
muren rond de verboden paarse stad (Tu Cam Thanh) zijn 6 meter hoog en 2,5 km
lang. Het was gereserveerd voor de keizer. Een indrukwekkend bouwwerk. We waren
er in de stromende regen heen gelopen en dit was een half uur voor
sluitingstijd. We zagen nog wel dat een Vietnamees 5.000 Dong (Fl 0.38)betaalt
en een toerist 55.000 Dong (het 11-voudige!) om er in te mogen. We hadden
besloten om de volgende dag terug te gaan en waar te krijgen voor ons duur
betaalde geld. Er eerst maar eens even om de citadel heen gelopen, dat toch nog
wel een flinke tippel bleek te zijn. De volgende morgen er eens een kijkje
genomen. Nu op de motor er heen gereden en de motor pal voor de citadel
geparkeerd en gelijk begon het schelle gefluit. Daar mochten we niet parkeren,
maar wijzend naar de reeds geparkeerde brommertjes had alleen maar meer gefluit
tot gevolg aangezien deze brommertjes nu ook ineens weggehaald moesten worden.
Eenmaal binnen bleek al snel dat voor het geld dat je moest betalen, was er niet
bijster veel te zien. In de oorlog had de Vietcong zich in de Citadel verschanst
waarop de Amerikanen de boel bombardeerden, en dus bleef er niet veel overeind.
Leuk om gezien te hebben, maar er zijn indrukwekkendere dingen die minder
kosten. We liepen wat rond door het gras en Martin dacht de staart van een
hagedis te zien, maar het bleek een slang te zijn met een bruin lijf en een
groene kop. De slang was ongeveer 80 cm lang en op 1 meter afstand maakten we
RUIM baan voor hem (en begonnen hard te stampen). Zo'n mooi gezicht zoals mens
en dier elkaar de ruimte geven. Ze moeten absoluut niet te dicht bij komen, want
de EHBO is niet om de hoek.
Diezelfde dag nog
vertrokken we samen met Mark naar Hôi An. In Hué had Martin ontdekt dat zijn
achterwiel wel heel rap sleet en dat de rechterzijde meer sleet dan de linker.
We waren de stad nog niet uit of Martin constateerde iets ongewoons bij Rosie.
Hij voelde een vaag schavend geluid in zijn voetsteunen en toen hij aan mij
vroeg of ik wat voelde, moest ik ontkennend antwoorden. Ik dacht in eerste
instantie dat het tussen Martins oren zat, maar het tegendeel was waar want toen
we verderop wederom stopten zagen we dat de remschijf van het achterwiel tegen
een tywrap van de cardan aan kwam. Niet echt ernstig dus dat zouden we de
volgende morgen wel oplossen in Hôi An.
De volgende morgen werden we gewekt door Mark die ons mededeelde dat er een
plasje olie bij ons achterwiel lag. Het achterwiellager al weer kapot? Het wiel
verwijder en ja hoor... na 18.000 km was het weer zo ver, wat wel heel erg snel
is. Deze keer was hij ook echt goed kapot en de kogeltjes rolden rond. Deze
mening werd door expert Ennio bevestigd die we ineens ons hotel zagen voorbij
rijden en met een flinke gil aangehouden werd. Een nieuw achterwiellager was
volgens menigeen geen enkel probleem en we gaven hen het voordeel van de twijfel
daar het weekend was en we toch verder niets kon regelen. In Nederland haal je
overal een nieuw lager van de plank, maar in Vietnam mogen geen motoren,
zwaarder dan 175 cc, worden toegelaten. Vindt dan maar eens een onderdeel voor
deze motor. Na Hôi An werd de zoektocht uitgebreid naar het nabij gelegen Da
Nang en vervolgens Saigon en tot slot Hanoi, maar alles tevergeefs. Toen ik
maandagochtend tot slot de SKF (lager)-importeur opbelde en deze ons meedeelde
dat ze het lager wel in het assortiment hadden doch niet in Vietnam voorradig,
was duidelijk dat we in Hôi An vast zaten. Toch waren de goden ons goed gezind.
Hôi An is een heel gezellige plaats met veel Franse en Japanse invloeden. Het
staat op de World Heritage lijst. Het is een plaats, welke je absoluut niet mag
missen als je Vietnam bezoekt. We hadden al hele andere bevindingen opgedaan in
Vietnam en nu begonnen we Vietnam zelfs een beetje leuk te vinden. Er zijn goede
restaurants en bovenal doordat de Amerikanen hier zijn geweest kun je overal
pool-tafels vinden.
De rijdende slager? |
We kregen van een Deense jongen het adres van de kleermakers, welke zich hier in
grote getale bevinden. Wat we echt nodig hadden was een lange broek. We hadden
onze oude broeken bij ons en deze wisten ze exact na te maken. We dachten dat in
Thailand alles fake was, maar in Vietnam weten ze er ook wel raad mee. We hadden
tevens Martin zijn shirt na laten maken, maar dan met mijn maten. Dit was niet
geheel goed overgekomen en nu heeft Martin er een nieuw shirt bij. We hebben nu
beiden een nieuwe broek en een nieuw shirt. De prijs? In ieder geval een koopje!
Maandagmiddag direct een mailtje aan de ANWB gestuurd voor nieuwe onderdelen. Nu
ze toch delen moesten sturen heb ik er gelijk maar een achterband bij besteld.
Er gingen nog enkele mails heen en weer voor verdere exacte gegevens en
vervolgens hoorden we dagenlang niets meer van de ANWB. Ach, we hebben intussen
een prima tijd en we mogen niet mopperen. Een prima hotel een leuk plaatsje. Ook
hier zie je overal kleine brommertjes en wat ze er al niet op kunnen vervoeren:
glasplaten van 11/2 bij 1 meter, 50 kippen aan het stuur, fietsen, lampekappen,
antennes, vrachtwagenbanden, houten balken (over dwars!!!), varkens... je kunt
het zo gek niet noemen of het is op een brommertje te vervoeren, en regelmatig
viel mijn bek open
van verbazing. We voelden ons in Vietnam niet echt prettig. Je moet als je in
een hotel aankomt direkt je paspoort afgeven en krijgt dat pas na lang
aandringen terug. Je proeft nog het communisme en een bittere nasmaak heeft het
wel bij mij. Je zou wel eens willen dat dingen anders zouden zijn, maar niet
alles heb je in de hand. Dit is ook iets dat bij reizen hoort.
We hebben zelfs fietsen gehuurd voor 5.000 Dong per dag. Het is leuk om iets
verder te kunnen komen dan het centrum en het fietsen heeft ook voordelen, het
is veel rustiger dan het rijden op de motor en doordat je langzamer rijdt heb je
meer tijd om om je heen te kijken. Je komt op meer plekken en zelfs voor mul
zand ben ik nu niet bang al is het nadeel dat je wel hard moet trappen om er
doorheen te komen. We hebben de stad verkend en zijn over de bruggen naar enkele
eilanden gefietst. Op het moment dat je stil staat hoor je: "Hello, where you
from?", "Ah, you're from Holland, do you have a Euro-coin for me?" Hoe leg je
zo'n iemand vervolgens uit dat je geen Euro's hebt en ze zelfs nog nooit in je
handen gehad hebt? We hebben het maar gewoon bij "Nee!" gehouden. De mensen
willen altijd wat van je en zijn niet echt in je geïnteresseerd. Van alles
proberen ze aan je te verkopen en zelfs als ze je herkennen van gisteren blijven
ze vragen of je van alles wilt kopen. We worden daar, op zijn Hollands gezegd,
schijtziek van. We gingen in de tegenactie en Martin vraagt in het vervolg al
direct, zodra ze naar onze tafel toe komen lopen, of ze zijn pen willen kopen
voor 'slechts' USD 5,- en dat dit echt een koopje is. Wel ja, het is een echte
Bic en... hij schrijft nog ook! Sommige mensen raken zo van slag dat ze je
gelijk met rust laten. En lijstje openlijk bijhouden en turven wanneer iemand
aan je tafeltje komt is ook leuk. We hebben 15 turfjes tijdens 1 maaltijd
gehaald.
Toch is het niet allemaal kommer en
kwel. Doordat je langere tijd er zit maak je bv. de prijsinflatie mee. Mooie
aardewerken fluitjes begonnen voor USD 1,- per stuk en een week later was het 3
stuks voor dezelfde prijs. Verder was er een klein kereltje van acht jaar, Thu
genaamd, en die brengt ons iedere dag verslag van zijn kleine wereldje. Verkopen
kan hij ons niets, maar iedere dag wisselen we een hartelijk woord uit en een
oprechte glimlach. Hij moppert soms dat iedereen hetzelfde verkoopt, maar dat is
net als in Holland. Als je iets leuks hebt, dan staat het een maand later bij de
Blokker in de schappen. We willen toch niet onder doen voor de ander? Als je op
de motor bent dan heb je hier (bijna) geen last van, maar je steelt wel ideeën
van elkaar, maar dit is om te overleven.
Jeannette rijdt op de fiets over
deze brug |
We mochten heel blij zijn dat we uitgerekend in deze plaats gestrand waren. We
hadden ons nu maar voorgenomen om een culinaire tocht door Hôi An te maken door
elke avond een ander restaurant uit te proberen (zo groot was het aanbod hier!).
Je hebt bv. het Scoutcafé en daar kun je Vietnamees leren koken voor USD 5,- per
keer en natuurlijk voor de toeristen. Het gaat wel heel snel en de gerechten
zijn reeds deels voorbereid. Dus als je denkt na afloop alle Vietnamese recepten
te kennen kom je bedrogen uit, maar gezellig en lekker is het wel. Het is een
groot en hoog pand met hoge muren. Het doet enorm Frans aan en is er wel
gezellig. Niet ver daar vandaan is het Tam Tam café en dat is super gezellig en
met een grote pool tafel waar de ballen heerlijk over de tafel rollen. Voor je
het weet zit ook de witte bal in het zakje en heb je alsnog verloren. Happy hour
is het tussen 16 en 21 uur, dus tijd genoeg om dronken te worden. Je kunt er
goed eten en ze hebben zelfs Franse kaas. Het eten is niet goedkoop, maar de
ambiance is uitstekend en het oog wil ook wat. Voor de kunstliefhebbers is er in
Hôi An voor elk wat wils en je ziet de ene gallerij na de ander en raad eens
wat? Ze hebben bijna overal hetzelfde aanbod. Je vindt hier hele goede
kleermakers en de prijzen zijn redelijk. Wij hebben afgeleerd om het te
vergelijken met Holland. Wij weten één ding zeker, Vietnam, en dan vooral deze
attractieve plaatsen, is vergiftigd door de toeristen, dus je kunt het de locale
bevolking niet kwalijk nemen dat ze daarvan mee proberen te profiteren. Je leert
ook wel pingelen. Martin moest naar de kapper en ze begonnen met 40.000 Dong en
hij werd uiteindelijk voor 20.000 Dong (Fl 1.50) geknipt en
hij zag er weer echt lekker uit. De kapper bezat slechts één oog en bezat
vlijmscherpe scharen en een handtondeuze. We kwamen tot de conclusie, dat deze
man een vakman was en goed werk had geleverd. Tussen het knippen werden de
werkzaamheden even gestaakt om even lekker te rochelen en op de stoep te spuwen.
Eet smakelijk!
Maakt deze camera echt foto's? |
Erik was ons inmiddels ver vooruit gesneld, maar we bleven een hotlijn met hem
houden per e-mail. We hebben hem nu de bijnaam: "Mister Speedy" gegeven. Hier
volgt een klein gedeelte van zijn verslag aan ons: "Ik zit alweer in Bangkok en
het is alsof ik nu weer een beetje thuis ben. Pattaya is een klotestad waar ik
maar snel, na twee dagen vertrokken ben. Stranden zijn kut en er zijn massa's
blanken en het is hier en daar vervallen. Ik ben nog wel wezen toeren met de
motor en zodoende het één en ander gezien. Ik blijf zeker een week hier in
Bangkok en mischien iets langer. Ja ik ben snel gereden. De Parijs Dakar heb ik
achter de rug en moet nu weer even op gewicht komen. Jan splinter komt wel door
de winter zullen we maar zeggen". Tot zover onze verslaggever uit Bangkok.
De weergoden waren ons intussen goed gezind en aangezien Hôi An vlak aan zee
ligt, dus snel naar het hotel en een passend tenue opgezocht. Wij togen per
huurfiets naar het strand totdat... op 300 meter van het strand er een barricade
was en de weg werd versperd door een stel Vietnamezen die ons verboden om verder
te fietsen. Ze waren bewapend met een rood met wit getreepte knuppel, klaar om
te meppen. Je wordt vervolgens verplicht om je fiets te betaald te parkeren en
lopend verder naar het strand te gaan. Dit alles was op zich niet erg behalve
dat vele lokale fietsers en brommers wel gewoon door mochten rijden. Dit riekt
naar discriminatie, geldaftrochelarij etc. en dus reden we door. Martin was
reeds door de barricade, maar voor Ketelbinkie werd de weg versperd. De man werd
steeds dreigender en op het moment dat de kerel aggresief werd naar mij toe, gaf
Martin aan, dat ze van zijn Ketelbinkie af moesten blijven met de woorden:
"Don't touch my wife!" Het geeft me wel een lekker gevoel, dat de Kapitein bij
me was. Ik maakte Flippo duidelijk dat hij zijn jatten van mijn fiets af moest
halen. Een busje wilde er ook langs en begon luid te claxoneren wat die Flippo's
nog meer opnaaide, maar uiteindelijk lieten ze ons door. Om de boel niet
helemaal op de kast te jagen reden we niet naar het strand, maar vervolgden we
de weg langs het strand. Deze weg naar een vissersdorpje waar geen toeristen
kwamen (aangezien iedereen zijn fiets achter moest laten!). De achteraf gelegen
dorpjes waren super gezellig en heel relaxt. De kinderen en de mensen zijn
ontzettend fotogeniek. Hier hebben wij enorm van genoten. Een oude man stond
erop met Martin op de foto te gaan.
Op de terugweg nog even biij het strand gekeken, maar omdat het al aan het eind
van de middag was, hebben we onze weg vervolgd en de fietsen weer terug
gebracht. We hadden een leuke dag gehad met de fietsen. Nadeel van deze
kwaliteit fietsen was, dat mijn nieuwe broek aardig onder de smeer zat. Daar
gaat je gouden geld dan! Je komt zo wel je dagen door en als het niet met het
wassen van de kleding is, dan staat er wel wat anders op de lijst wat een Prio 1
krijgt. Normaal als je aan het reizen bent, dan ga je van plaats naar plaats en
schrijft je mails, dagboeken en rapporten. We merken dat we nu wel tijd hebben
om even tot rust te komen en dit betekent gewoon een beetje tijd en aandacht
voor jezelf en voor elkaar. Soms zijn er momenten dat ik bepaalde mensen, waar
ik van houd, erg mis en je kunt ze wel schrijven dat je ze mist, maar je lost er
niets mee op. Je maakt keuzes in je leven en daar betaal je een prijs voor. De
prijs is soms hoger dan anderen denken! Tja, emoties zijn nu eenmaal een
onderdeel van een mens en gelukkig hebben we ze. Je denkt soms terug aan
momenten met vrienden. Ach, ik heb nu een sentimenteel moment en Vera Lynn kan
dit als geen ander vertolken met de woorden: "We'll meet again, don't know
where, don't know when". Het reizen wordt steeds meer natte-vinger-werk en als
je op een bepaalde plek vast zit, maak je er maar het beste van. Plannen maken
hebben weinig waarde, want het gaat toch altijd anders dan je je had
voorgenomen. Als er bv. één land was waar we ons visum niet wilden verlengen,
dan was dit Vietnam. En zie hier zijn we: "Good morning Vietnam" en we namen er
nog eentje op ons verblijf in Vietnam. Hoezo niet flexibel?
Je voelt je als een ridder zonder paard als je ander eigen vervoer hebt dan
alleen de benen wagen. Op weg van Hôi An naar Da Nang liggen de Marble Mountains
en China beach. Het was ten tijde van de oorlog een beschermd Amerikaanse plek,
maar ook een plaats waar de Vietcong zich schuil hield dus in het hol van de
leeuw. Speciaal voor deze dag hadden we een brommertje gehuurd om er eens even
lekker op los te scheuren en dit was aan Martin niet tegen dovemansoren gezegd.
We hadden met Dave, een Amerikaan die wij ontmoet hadden en ieder jaar tien
weken hier verblijft, afgesproken en we zouden gezamelijk ontbijten. Maar een
bezoek van de Chinese president gooide onze dag een beetje overhoop.
Het begon al met het feit dat we met de brommer niet in het centrum mochten
komen, maar het lukte ons om de brommer vlakbij het afgesproken restaurant te
parkeren. Geen verkeer in de binnenstad: wat een aangename rust! Normaal
ontbeten we buiten op een terrasje maar dat mocht nu niet en dus aten we binnen.
Het werd gekker toen er allerlei veiligheidsmensen binnen kwamen en ons
vertelden dat we snel debinnenstad moesten verlaten. Goed, maar dan wel pas als
we ons ontbijt op hebben. dus geen verkeer en toeristen in de binnenstad, je
vraagt je dan wel af wat voor een indruk zo'n president van Hôi An krijgt, maar
zeker niet een indruk zoals de stad in werkelijkheid is. Maar wij moesten weg en
Dave kwam niet opdagen dus wij naar zijn hotel. Hiervoor moesten we echter dwars
door de aanrijroute van de president en alle straten waren afgezet.
Via een kleine weg er
toch doorheen geglipt en bij Dave's hotel op hem gewacht. Toen hij terug kwam bleek
dat hij ook allerlei rare fratsen uitgehaald had. Zo kon hij de binnenstad niet
meer inkomen en had van de overzijde van het kanaal heel hard onze namen
geschreeuwd in de hoop dat wij het zouden horen totdat de politie naar hem toe
kwam en hem vroeg hiermee op te houden.
De overgroeide tempels van My Son |
We gingen snel op weg richting Da Nang. Maar uitgerekend deze weg was helemaal
afgezet en moesten we wachten totdat de stoet voorbij was en de weg vrij gegeven
werd. Gelukkig bleek de stoet naar Da Nang terug te rijden (was wel een heel
kort bezoekje van de president trouwens!) en wij snel achter de stoet aan en zo
cruisten we helemaal naar Marble Mountain terug, een verademing in het normaal
zo drukke en chaotisch Vietnamese verkeer. Dave wist hoe we bij één van de
ingangen van de berg moesten komen waar gedurende die oorlog een Vietcong
ziekenhuis was gevestigd terwijl de Amerikanen de berg juist gebruikten als een
uitkijkpost naar de Vietcong. Een betere plek kon de Vietcong zich niet wensen.
Het ziekenhuis werd per toeval ontdekt toen er, per abuis, een raket zich in de
berg boorde en zo enkele gangen bloot legde. We hebben onze weg vervolgd naar
China beach en genoten van het strand waar geen toerist te bekennen was. Mooie
vergezichten over het strand naar de bergen, grote notedopjes die men op een
kunstige manier kan besturen en je probeert je voor te stellen hoe het hier was
tijdens het verblijf van de Amerikaanse troepen die ver van huis en haard waren.
Het strand lag er verlaten en smerig bij. Kapotte flessen en door de zee
verzameld vuil waren de enige stille getuigen van wat eens was geweest: "China
beach". Het vervolgens bezochte museum in Da Nang was het niet waard om om
vermeld te worden.
Een andere dagtrip op een brommertje ging naar My Son, dat 52 km van Hôi An
ligt. Het is een tempelcomplex uit de Cham dynastie. Als je van oude meuk houdt,
dan is dit een super lokatie en Martin en ik hadden er echt van genoten. Wat ons
enorm beviel was de enorme rust welke daar heerste en vele tempels waren met
vegetatie overwoekerd wat het een heel authentiek gevoel gaf. We zijn gewoon op
een hoop stenen gaan zitten om volop te kunnen genieten. Van de tempels alsmede
van de vele vlinders. Je zag ze hier in alle maten, soorten en kleuren. Je kunt
het bijna niet vast leggen met de camera en als je denkt dat je ze hebt, dan
zijn ze al weer verdwenen. Wat moet het toch heerlijk zijn om een vlinder te
mogen zijn!
My Son |
Inmiddels waren we enkele dagen verder
en hadden nog niets van de ANWB gehoord. Een mail op hoge poten geschreven en
toen kwam het antwoord dat ze 'vergeten' waren om ons terug te mailen en het
bleek dat de delen al in Da Nang gearriveerd waren en we ze op 4 maart van de
luchthaven af konden halen.
Op de ochtend van 4 maart ontwaakten wij op een onwezelijk en zielloos moment
waar de nacht reeds ten einde liep, terwijl de ochtend nog niet begon te gloren.
Ik lag daar in een troebel licht tot ik plotseling overvallen werd door een
vreemd gevoel van angst. Plotseling wakker geworden realiseerde ik me dat wij
nog steeds in Vietnam waren. "Wie zou me dan beschermen in geval van nood?"
vroeg ik me verontwaardigd af? De Vietnamezen die het woord dollar uitspreken?
Wat kan het leven ondragelijk zijn als je weg wilt uit een land en je nog je
onderdelen bij de douane moet ophalen en je het gevoel hebt, dat je een poot
wordt uitgedraaid, of beter gezegd twee. Het uur van de waarheid was genaderd en
de ANWB had zijn werk gedaan en nu was het de beurt aan ons. Bij het krieken van
de dag, gewapend tot op de tanden en wel met een volle portemonnee met de nodige
dollars om de delen los te krijgen, de kracht van een tijger en een vechtlust
als een leeuw, begaven wij ons op weg naar Da Nang airport. We gingen halen wat
ons toekwam!
Op de luchthaven aangekomen, bleek het pakketje nog niet te zijn gearriveerd,
het stond voor morgen ingeroosterd... BALEN!!! De gelegenheid maakt de dief en
China beach was dichtbij, dus een mooie gelegenheid om de verslagen bij te
werken. Toen we aankwamen bij het strand werden we direkt overvallen door een
stel dames met dollar tekens in de ogen. Het eerste wat ze te horen kregen was
dat we niets gingen kopen en we geen geld hadden, en dus konden ze vertrekken.
Ze gingen hun weegs en wij zochten in een bamboe shelter bescherming tegen de
brandende zon. Er hing een hangmat van nylon. Martin, die inmiddels een paar
betonnen billen had besloot zijn vertier in de hangmat te zoeken. Na ongeveer
een kwartier kwamen de geldwolven weer en probeerden ze de hangmat aan Martin te
verhuren voor 5000 Dong. Er liep een Vietnamese als een kip op hoge poten om de
hangmat heen te dartelen, waarin Martin lekker lag. De dollartekens waren te
lezen in haar ogen. Op het moment dat ze agressief gedrag begon te vertonen
stond Martin op. Het was wel een lachwekkende vertoning, want haar Vietnamese
hoedje waaide bijna af van schrik. Een reus zo groot als Goliath en haar korte
pootjes holden zo snel als ze kon en ze kakelde tien meter verder nog steeds als
een kip zonder kop. Ik sloeg het tafereel gade en lachte me rot. Het enige dat
je wilt is gewoon met rust gelaten worden. Je wordt hier echt gek van die
mensen.
Martin met Wooang |
De volgende dag speelde zich episode 2 van de ANWB-story af. Een ezel stoot zich
in het algemeen niet twee keer aan dezelfde steen, dus wel eerst even van te
voren gebeld met de luchthaven. Ons pakket niet onderweg maar reeds gearriveerd.
We gingen voor de tweede keer naar de airport weer op een klein brommertje. Rond
de klok van elf uur waren we in het bezit van de vrachtdocumenten. Heerlijk zo'n
kleine luchthaven, lekker weinig kantoortjes waartussen je heen en weer gestuurd
kunt worden. De kosten voor de vrachtpapieren: 1000 Dong
(Fl 0.08). De volgende stop was de douane maar... helaas begonnen die heren pas
om 14 uur aan de arbeid en dus moesten we nog 3 uur wachten. Wachten is ons al
eigen geworden, dus in de schaduw een rustig plekje gezocht, om daar wat te
schrijven en onze dagboeken bij te werken. Er kwam een klein knaapje bij ons
zitten. Hij vroeg erg veel aandacht, maar zijn ogen stalen mijn hart. Wat me
opviel was de vele bulten op zijn lichaam, zijn zwarte nagels en begroeide
voeten. Zijn naam is Wooang en hij bracht ons verfrissingdoekjes en een flesje
water ("Niet om te drinken hoor!") wat heel lief van hem was. Altijd doen wat je
hart je ingeeft en we hebben hem meegenomen voor een drankje. Op de luchthaven
probeerden ze ons weer een poot uit te draaien met het eten. We hadden inmiddels
ontdekt, dat Wooang 12 jaar oud was en een weeskind is. Hem tussen ons in
genomen en buiten de luchthaven geluncht langs de straat en we kregen de lokale
prijs. Wooang voelde zich de koning te rijk te midden van zijn bekenden en
praatte honderduit tegen hen en we genoten van dit knaapje. De hele dag was hij
bij ons en leerde ons zelfs kaarten. Hij won natuurlijk de hele tijd met dit
voor ons volledig onbekende spel, en dan pakte hij mijn kaarten en Martin delfde
vervolgens dan ook het onderspit. Wooang had de dag van zijn leven en wij
daardoor ook.
Om 14 uur gingen wij naar de douane, daar kregen we papieren en moesten
vervolgen onze delen afhalen en laten inspecteren. Een bullebak van een douanier
ging alles nauwgezet controleren. Ik voelde enorme haatgevoelens opkomen mbt.
deze man. Hij deed Martin aan Noriega, de dictator van Panama met zijn
ananasgezicht, denken. Hij begon de maten en nummers van de band op te zoeken in
een boek en krabbelde van alles neer. De ANWB had een fictief bedrag van USD
85,- voor de gehele zending neergeschreven en bullebak wist dat dit niet de
reële prijs was, alleen kwamen de delen niet in zij bijbel voor dus kon hij ons
ook niet de werkelijk prijs geven, en daar baalde hij wel van. Blijf lachen
zeiden wij tegen elkaar. Martin en ik hadden geen woorden nodig.
We moesten vervolgens weer terug naar het hoofdgebouw van de douane maar tot
onze aangename verrassing mochten we onze delen gewoon meenemen. We hadden zo
terug naar het hotel kunnen gaan maar dat leek ons niet verstandig. Snel ging
het vervolgens allemaal niet en de papieren werden grondig bestudeerd, terwijl
wij ons intussen kostelijk met Wooang vermaakten. Toen ze naar Martin toe kwamen
en vroegen hoeveel van de USD 85,- voor de achterband was en hoeveel voor het
lager was vroeg hij nonchalant: "Hoezo?" "Nou vanwege de verschillende
belastingtarieven". Toen was het zijn beurt om in actie te komen en vertelde hij
haar rustig dat de delen niet ingevoerd werden, maar dat ze benodigd waren voor
onze motor die een tijdelijke importvergunning had en dat dus deze
vervangingsdelen ook hier onder vielen en dat er dus geen invoerrechtenbetaald
hoefde te worden. Ter ondersteuning hiervoor werd het gestempelde carnet op
tafel gelegd. De ANWB had goed werk verricht door papieren mee te sturen dat de
delen nodig waren om een gestrand voertuig weer rijvaardig te krijgen. Ook was
het kenteken vermeld en dat kwam overeen met op het carnet en hetzelfde gold ook
voor het ANWB logo. De enige smet was dat de ANWB schreef dat de delen voor een
auto waren terwijl dat een motor moest zijn. Lijkt onbelangrijk maar in een land
waar 99% brommertjes zijn en nog geen 1% auto's ligt dat heel anders. Het carnet
doorlezend zag men dat mijn motor 1085 cc was en dat was meer dan de toegstane
175 cc. Toen men daarover begon zei ik dat als men het in Cau Treo goedgekeurd
waarom zij dan aan het werk van hun collega's gingen twijfelen en daarmee was
dat probleem ook opgelost.
Na veel debatteren ging men eindelijk over stag en dat werd ook tijd want het
was al bijna 17 uur. We konden de delen mee nemen als we nog 5.000 Dong
douanekosten betaalde. Dat was geen probleem en opgewekt verlieten we ons
gebouw. Het had ons een hele dag gekost maar het resultaat was optimaal. Al met
al hadden we 12.000 Dong (Fl 0.90) moeten betalen en daarmee was de dikke
portemonaie nauwlijks leger geworden.
Al die tijd was Wooang aan onze zijde geweest en we moesten afscheid van hem
nemen. Het klinkt heel goedkoop, maar we hebben Wooang geld gegeven en hem op
het hart gedrukt er eten en drinken van te kopen. De hele dag zijn hand
vastgehouden en hem een heel klein beetje liefde en warmte mogen geven. Nee,
nooit zal ik dit kind vergeten. Hij liep achter ons aan en zwaaide ons uit tot
hij aan ons gezichtveld ontrokken werd. Hij bleef alleen achter! De hele weg
naar huis waren wij stil en ondanks dat Vietnam niet ons meest favoriete land
was, hadden we toch een stukje van ons hart verloren. Met de band tussen ons in
reden we terug naar Hôi An en wederom was de weg afgesloten. Weer wachten totdat
de presidentiële stoet voorbij getrokken was alleen ging de stoet deze keer de
andere als onze richting op dus konden we nu niet van de stoet profiteren. En
moesten we door het drukke verkeer terug rijden.
De volgende morgen begon de dag met het plaatsen van het achterwiellager, een
klusje waar we lang naar uit hadden gezien. We kregen een thermosfles met warm
water en twee glazen en we lieten onze eigen motor lopen op koffie, onderwijl
werd er hard gewerkt aan het plaatsen van de achterwiellager. Je zou bijna
zeggen dat het een fluitje van een cent was. Wel was er zoveel bekijks dat er
iemand van het hotel bij moet komen om de mensen weg te houden. Vooral als het
wat minder lukt, dan heb je liever geen pottekijkers om je heen! De daarop
volgende testrit liep zo voorspoedig dat we direct besloten om de volgende dag
verder te reizen. Wel kreeg Rosie nog een snelle wasbeurt. De mensen in het
hotel waren heel aardig. Toen ik de motor aan het wassen was, kwam één van de
jongens mij vertellen, dat als ik klaar was ik de grote hendel naar boven moest
duwen om de waterpomp uit te schakelen. Ik deed wat men mij gezegd had. De
waterpomp was uit maar ook had het hele hotel geen stroom meer doordat
Ketelbinkie de hoofdschakelaar bediend had. De jongens van het hotel lagen in
een deuk, maar arme Martin stond net zijn lenzen in de badkamer er uit te halen
en was er minder blij mee. Ik heb hem eerlijk opgebiecht, dat ik er voor gezorgd
had, dat het licht even uitging en het geen stroomstoring was. Een vrouw met
allure zulllen we maar zeggen. Hôi An hadden we meer dan genoeg bezichtigd dus
geen dag langer uitstel! Heerlijk om weer dat vertrouwde gevoel van je eigen
vrijheid en mobiliteit te hebben. De achterband kon nog wel even mee (tot
Saigon) en dus hadden we de nieuwe er bij achterop gebonden. Het eerste stuk,
over Highway 1, was weer vol met bussen, vrachtwagen, fietsers en brommertjes,
die ons inziens levensmoe zijn.
Met de nieuw band ontvangen, konden we weer
verder reizen |
We waren al een aardige
tijd onderweg toen de weg verslechterde en wij ons slingerend een weg zochten
langs de gaten in het wegdek. Ineens werden wij ons wreed bewust van een
scheepshoorn achter ons van een bus. Het was te vergelijken met de Titanic. Men
noemde dit schip immers het schip zonder God. Nou, de bus achter ons was gevuld
met Vietnamezen zonder geweten. Omdat de bus ons niet direkt kon passeren en wij
niet aan de kant konden (behalve de berm in, waar wij geen trek in hadden) werd
de chauffeur ongeduldig. Uiteindelijk passeerde hij ons en ons leven veranderde
in een nachtmerrie. De bus drukte ons gewoon van de weg af. De bijrijder van de
bus, die half uit de deur hing, deed een poging om ons stuur aan te tikken.
Martin werd pislink, gaf gas en gooide de motor voor de bus en deze moest vol in
de remmen. Hierop werden we vanuit de ramen bekogeld met al het fruitafval dat
ze kwijt konden. Ik schrok van al de mannen die naar de voordeur waren gekomen
met hun blikken vol haat. Ik werd misselijk van angst en op zo'n moment voel je
je heel kwetsbaar. Wij waren echter sneller dan de bus in het drukke verkeer en
we konden de bus afschudden, maar oh, wat hadden wij (weer) een hekel aan
Vietnam. In de namiddag verlieten we Highway 1 en het leven ging er direct met
sprongen op vooruit. De rust op en langs de weg was goddelijk en ook is het
verkeer ineens lang niet zo agressief meer.
Tegen de avond kwamen wij moe en gesloopt in een klein dorpje, An Khe, aan. In
een klein hotel werden wij enorm warm en liefdevol ontvangen en dit was precies
wat we zo nodig hadden. In de morgen werden we gewekt door Lee, zij was de
zuster van de eigenaar van het hotel, met thee op bed. We namen rustig de tijd
en we hoorden een stukje van hun leven. Tijdens de oorlog had de broer van Lee
vriendschap gesloten met een Amerikaanse soldaat. Toen deze soldaat Vietnam
verliet, had hij een USD 20,- biljet aan hem gegeven. Dit was in 1963 en het was
het enige tastbare wat eens aan een mens had vast gezeten. Nu anno 2002 droeg
hij dit biljet nog dagelijks in zijn portemonaie en was het het enige
overgebleven symbool van wat eens een vriendschap was. Het verhaal ontroerde mij
en de oprechtheid van deze mensen hadden me diep geraakt.
We gingen op weg naar Dalat met een goed gevoel. Het waren 473 resterende
kilometers en de eerste 220 km was over goede wegen totdat... er overal
wegwerkzaamheden waren. Dit betekende zandpistes, aarde gevuld met puntige
stenen, aangestampte aarde, je kunt het zo gek niet opnoemen of we moesten er
door of over. De ene keer leek het alsof je in de Veluwe reed en het volgende
moment leek het alsof het gesneeuwd had, alles zat onder fijn stof zand en oh
weh als er een voertuig langs je heen kwam stuiven. Wij zagen wit en rood van
het zand en
laten we het dan nog maar niet over de motor hebben. We wilden nog voor het
donker de hoofdweg naar Dalat zien te bereiken. Deze route deed ons erg aan Laos
denken. Je zag hier veel meer armoede dan langs Highway 1. Vlak voor het duister
bereikten we inderdaad de verharde hoofdweg en moesten wij de resterende 30 km
naar Dalat gaan afleggen. Onze ogen namen de vorm van haviksogen aan en alert en
op onze hoede vervolgden we onze weg. Veel van wat we aan vervoersmiddelen
achterop kwamen had geen licht, tenminste niet aan de acterzijde. Echt,
levensgevaarlijk! Moe en volledig gesloopt kwamen wij in Dalat aan.
We waren niet de enigen die flink
beladen waren |
Het eerste hotel had nog genoeg kamers, maar toen ik er als een vies
ruimtevrouwtje door de deur binnen kwam, waren ineens alle kamers vol. We kregen
van een man buiten op straat een kaartje van een hotel in de handen gedrukt. De
man had een erg sympathieke uitstraling en was helemaal niet opdringerig en zei
alleen dat de mensen van het hotel erg vriendelijk waren. Wij gingen op pad en
ik zei tegen Martin, dat als ze vriendelijk bleven bij het zien van ons, het
hotel goed was. Ketelbinkie werd er warm, hartelijk en liefdevol ontvangen. De
motor werd afgeladen en de Kapitein werd met de motor meegenomen verderop in de
straat en daar werd Rosie bij de eigenares beneden in haar eigen huis gestald.
Geen twijfel mogelijk, zij was een liefhebster en vol trots vertelde ze over de
125 cc Paggio motor van haar zoon. We waren USD 10 per nacht kwijt en dit voor
een kamer met een super luxe badkamer en een warme douche, waar je de hele dag
onder zou willen blijven, en inclusief ontbijt. Van het gratis ontbijt
verwachtten niet veel: een broodje, een eitje, een kopje koffie en verder niet
zeuren maar dat bleek de volgende ochtend toch wel anders te zijn. Broodjes
zoveel als je maar wilde met ei, jam en kaas enne.... wilt u er ook nog een
orange juice bij? Nou Martin zou de oren van haar hoofd hebben kunnen eten en
had gegeten als een wolf, zo heerlijk vers was het allemaal. Zo goed hadden we
het lang niet gehad m.b.t het ontbijt en bovendien mochten we 's avonds gratis
internetten. Toen we zeiden dat we een digitale camera hadden mochten we die
hier wel uitlezen en de foto's op CD branden zolang we maar enkele leuke foto's
van de motor op de harde schijf lieten staan. Hier konden we het wel een paar
daagjes uithouden. Het was nog maar 300 km naar Saigon, onze laatste stop in
Vietnam.
Dalat is een stad op 1475 meter hoogte, dus met een heerlijk koel klimaat en
veel groen. Er is wel veel verkeer, maar in vergelijking met Hanoi valt het
enorm mee. De stad doet Westers aan en heeft een prettige atmosfeer. Het ene
moment waan je je in Zwitserland en het andere momentvoel je je in Italië.
Overdag liet de zon zich wel zien, maar 's avonds was het koud en was een
fleecejas geen overbodige luxe (al hadden we die niet bij ons!). Voor een
dagtocht is het nooit te vroeg en in Dalat zelf was er weinig te zien, maar het
was wel een lekkere plaats om even tot rust te komen. We hebben de motor genomen
en hebben de hoofdweg naar de kust genomen om te genieten van de steile afdaling
tot zeeniveau. De tocht door de bergen was, zoals gebruikelijk voor ons, als het
neusje van de zalm. Prachtige vergezichten en lekker slingeren door de bochten.
Mooiste van dit alles is de natuur en (nagenoeg) geen mensen om je heen.
Aangekomen aan de kust dachten we al heel snel: "Gauw weer weg van de kust" want
we hadden het idee opgevat bij een hotel aan het strand wat te gaan drinken.
Hier bleek een heel zwemparadijs bij gevestigd te zijn en een kotet Vietnamees
hups geval, zettelde zich aan onze tafel en het was gedaan met onze rust. Na ons
drankje snel weg en weer terug de bergen in. Daar vind je nog een beetje rust
was onze conclusie. We waren op 6 km voor Dalat toen een minibus naast ons kwam
rijden. Voor ons op de weg stond een bus stil en passsagiers stapten uit en er
was geen vluchtstrook. De bestuurder sneed ons zo de pas af dat we geen ruimte
naast ons hadden en we werden van de weg gedrukt. Remmen moest ook voorzichtig,
want er was een bus voor ons en onze achterband was erg slecht. Ik heb hem toen
echt even flink geknepen achterop en je ziet alleen nog maar flitsen. Ons nieuw
stopwoord is nu: "Vuile klootzak!" en de rest van ons vocabulaire is
gecensureerd. Martin liet dit niet zomaar over zijn kant gaan en ik gilde nog:
"Laat die vent, hij is het niet waard!" en "Vergeet niet dat ik achterop zit!"
net of dat wat uitmaakt op zo'n moment. Hij veranderde in een stier. Martin was
aan het vloeken dat het een lieve lust was (ook niet voor herhaling vatbaar) en
Rosie werd even flink gekieteld en la snel stond haar kont voor de mini bus. Een
stopteken was niet nodig. De bestuurder dacht er langs te gaan, maar hij kreeg
geen ruimte. De bijrijder stapte uiteindelijk uit en we vroegen waar ze in
hemelsnaam mee bezig waren. De enige reactie was dat je gewoon vierkant werd
uitgelachen. Maar je kunt tenminste je stoom afblazen. We reden verder en de
minibus liet zich wijselijk niet meer zien. Dit was dus de tweede moordaanslag
in nog geen week tijd. Nog even echter en dan is het gelukkig "Goodbye
Vietnam!". Echt rauwig zijn we daar niet om. Uitgerekend die avond ontvingen we
nog een leuke mail van een vriend, die schreef: "Ik heb de aan/uit knop (van
mijn computer) weer eens gevonden. Als ik de mail lees van jullie avonturenzie
ik één en ander al voor mij en
met name dat kleine vloekende tijgertje tussen al die spleetoogjes". Ja Ruud, je
kent je pappenheimer. Na het hele incident had ik graag voor de tweede maal in
Vietnam een vent verbouwd.
Een typisch Vietnamees landschap |
In Dalat terug gekomen geconstateerde de Kapitein en zijn Ketelbinkie, dat de
staalgordel van de achterband zichtbaar was, dus hoog tijd om de band te
verwisselen en dat we hiermee Saigon hier niet mee haalden. Ketelbinkie had het
onderweg al in het oor van de kapitein gefluisterd, dat ze liever met een nieuwe
band verder reed. Het vervangen van de band was een fluitje van een cent,
aangezien het grootste probleem: "Hoe kom ik aan een nieuwe band?" reeds door de
ANWB opgelost was. Het verwisselen ging in goed teamverband en geschiedde onder
grote belangstelling. Alleen het oppompen moest elders gebeuren en dus verdween
Martin met band achter op een brommertje. Terug gekomen het achterwiel weer
gemonteerd en een korte testrit gemaakt langs enkele bezienswaardigheden rondom
Dalat maar die werden allemaal door ons stellig afgekeurd.
Dalat verlieten we en direct ging de weg door de heuvels met prachtige
theeplantages die volop in de bloei stonden en de bloesems je zo tegemoet
geurden dat zelfs Chanel No.5 daar niet tegen op kon. Het eerste gedeelte van
onze tocht ging over Highway 20 en het laatste stukje over Highway 1, wat ons
niet tegen viel omdat je op een motor bent en je goed langs de file kunt rijden.
Martin was vier jaar geleden al eens in Saigon geweest voor zijn werk. Als een
visje voelde Martin zich in deze drukke stad. Het is een hele levendige stad. Je
hebt ondanks het enorme drukke verkeer een gevoel van ruimte om je heen omdat de
wegen er breed zijn en er veel parkjes zijn. Ik moet bekennen dat de
architectuur heel gevarieerd is. De koloniale Franse sfeer is merkbaar en je
vindt dit terug in prachtige gebouwen met als hoogtepunt het hoofdpostkantoor.
Heel veel diversiteit aan oude bomen en in de parkjes prachtige theerozen in een
zacht gele pastelkleur. Je wordt wel overal besprongen met mensen, die je van je
geld af wilden helpen en als je niet betalen wilt houdt men eenvoudig zijn
hoedje voor het gezicht als je een foto maken wil, Vietnam in optima forma! Wie helpt me aan een t-shirt met de opdruk:
"We kopen niks, we willen niks, we hebben geen plaats in en op de motor, we
roken niet, we zijn analfabeet (gezien de vele slechte kopiën van de Lonely
Planet) No thank you en NO MEANS NO". Martin zegt altijd: "Prijs de dag niet
voordat het avond is". Het bewijs werd weer eens geleverd, want ons hotel was zo
slecht en gehorig dat we na twee nachten vertrokken zijn naar een ander hotel
dat in een ander deel van het centrum lag. Gewoon super: we hadden een goede
stoel om op te zitten en een lekker bed om in te slapen. Tevens hadden we van
Erik de tip gekregen om in het New World Hotel aan het buffet diner te schuiven.
Het was de beste tip die iemand me kon geven. Het was niet goedkoop, maar het
geld meer dan waard en voor Fl 47,- hadden we een hele lekkere avond.
We hebben een dagtripje naar de Chu Chi tunnels gemaakt. Deze tunnels zijn door
de Vietcong gegraven en werden gebruikt als onderaardse schuil- en
(wapen)opslagplaats. De tunnels liggen nu 72 km buiten Saigon maar het netwerk
liep destijds tot onder Saigon. De rit om Saigon uit te komen was een ware ramp
met alleen smalle wegen die volledig in gebruik waren met voornamelijk
brommertjes. Overal om je heen en absoluut niemand die rekening met je houdt,
maar je moet wel rekening met hen houden. Voor we Saigon uit waren had ik al
gegeten en gedronken. Martin reed als een tank door de stad en was blij dat hij
een zwaardere motor had (in dit geval qua gewicht!) en de koffers er aan had
laten zitten. Mijn woordgebruik ging er niet op vooruit. Eenmaal buiten de stad
werd het rustiger. Toen we uiteindelijk bij de tunnnels waren werden wij
verplicht de motor op een afgelegen plek te parkeren. Helaas hadden we hier net
iets te veel slechte ervaringen mee in Vietnam en dus reden we door naar de
ticket office en parkeerden daar de motor. Je kunt niets op je motor achter
laten, dus we verzochten de huppeltrut achter het venster of we onze helmen bij
haar mochten achterlaten. We moesten de tunnels in en we hadden USD 5,- p.p.
betaald. De helmen konden we echter nergens kwijt en dus werden we pislink en
gaven we onze huppeltrut de keuze: of de helmen accepteren of het geld terug.
Dat begreep ze gelukkig en we konden de helmen er ineens achter laten en was het
probleem opgelost.
We gingen met een gids op pad en er werd een propaganda film vertoond. Wij
kregen slechts de helft van het verhaal te horen waarna de gids de TV uit deed
met de mededeling dat de film toch bijna afgelopen was. De tunnels waren niet
groot en vooral voor Martin, bijna twee meter, was het langzaam schuiven door de
tunnels en waren de gids en Ketelbinkie regelmatig verdwenen, maar met enkele
schreeuwen waren we snel weer verenigd. De tunnels waren helemaal opnieuw
opgebouwd speciaal voor de toeristen en het viel eigenlijk enorm tegen i.v.m. de
tunnels welke we in Vinh Moc hadden gezien. Daar waren de tunnels authentiek.
Het enige leuke hier was dat men de luchtgaten ed. vermomd hadden door ze op
termietenheuvels te laten gelijken en ze waren niet van echt te onderscheiden.
De volgende dag verlieten we dan Saigon op weg naar de Cambodiaanse grens. Het
ergste was dat we exact dezelfde route moesten nemen om Saigon uit te komen als
gisteren naar de tunnels. We hoopten dat het verkeer op een zondagochtend
rustiger was maar die hoop bleek tevergeefs! Het begon al op een rotonde waar
een taxi ons de weg afsneed en na een boos gebaar van Martin weigerde verder te
rijden. Toen Martin hem vervolgens met zijn voorband aantikte stapte meneer uit.
Mooi zo, dan konden we er tenminste veilig achter de taxi langs. Eikel!
De weg was een ramp en we hadden het helemaal gehad hier in Vietnam. Normaal
rijdt je zo defensief dat je niet alleen zelf veilig rijdt maar ook op fouten
van anderen anticipeert. Maar Martin kon dat gewoon niet meer opbrengen in deze
chaos en toen we een brommertje inhaalden die ineens linksaf sloeg claxoneerden
we, maar we tikten hem wel aan en dus ging het brommertje plat over de weg.
Enkele kilometers verderop reden we achter een bestelauto die we onmogelijk
konden inhalen en dus bleven we er rustig midden achter rijden. Ineens kregen we
van achteren een tik en zagen we weer een brommertje tegen de vlakte gaan. Het
erge was dat het ons helemaal niet meer kon schelen. Een ander brommertje
probeerde ons tot stoppen te dwingen maar dat waren we niet van plan. Enkele
minuten later zagen we voor ons deze zelfde man met een agent praten en naar ons
wijzen. Gelukkig passeerden we hen voordat de agent ons aan kon houden en lag de
weg naar de grens voor ons open. Aan de grens ging gelukkig alles nu wel van een
leien dakje. In no-time waren we en de motor uitgestempeld en konden we Cambodja
binnen rijden.
Conclusie:
Het zal duidelijk zijn hoe we dit land ervaren hebben. Iemand zei ons dat we
niet moesten vergeten dat we te gast waren in dit land, maar we werden absoluut
niet als een gast behandeld. We waren vogelvrij verklaard en werden gedoogd
omdat men ons dan geld afhandig kon maken. Verder hebben we nagenoeg geen dingen
gezien die elders ook niet te zien zijn. We hebben echter het land nu wel met
eigen ogen gezien en kunnen er dus ons oordeel over vormen. Natuurlijk waren er
zeker positieve uitzonderingen maar die konden niet weerhouden dat de algemene
balans negatief doorsloeg. Maar zoals over elk ander land verschillen hier de
meningen ook van persoon tot persoon dus laat het jullie niet weerhouden er heen
te gaan, maar wees voorbereid. Wij waren voorbereid op Indiase toestanden maar
die werden helaas ruimschoots overtroffen.