Reisverslag 29          Brisbane (Australië, 03-05-2003) t/m Camooweal (Australië, 28-06-2003)

Australië, een continent waar al veel boeken over geschreven zijn met zeer verschillende interpretaties. Het werd tijd om zelf maar eens ontdekken hoe het land zijn geheimen aan ons wilde prijsgeven. We hadden een vliegreis(je) van 3½ uur achter de rug toen we voet op Australische bodem zette. Onze reis begon in Brisbane. We verbleven de eerste dagen in het huis van Wayne & Kerry, vrienden van Martin. Wayne had al jaren lang gevraagd wanneer we toch eens eindelijk in Australië aan zouden komen, en dat werd door ons trage reistempo maar steeds weer uitgesteld. Toen we ze dan eindelijk in Nieuw-Zeeland hen op de hoogte konden stellen wanneer wij in Australië zouden arriveerden bleek dat ze enkele dagen voordien naar Europa op vakantie gingen voor 3 maanden. Maar Waynes ouders woonden in hun huis en zorgden voor ons alsof wij hun eigen kroost waren.
Het was fijn dat we een thuis hadden voor een paar dagen want er moest nog veel geregeld worden. We waren op zaterdag aangekomen en dat we op zondag de motoren niet op konden halen hadden we al verwacht, maar maandag was het Labour Day (Dag van de arbeid) en dus... werd er niet gewerkt. Voor ons een mooie gelegenheid om het centrum van Brisbane te gaan verkennen. Brisbane is op zich geen onaardige stad. Het viel ons op dat de mensen veel dingen van zich afgooien en de stad dus bezaaid lag met lege bierflessen en papier. Probleem was ook dat de overvolle vuilnisbakken niet leeg gehaald werden maar ook dit zal wel aan Labour Day verweten kunnen worden. Toch een schoonheidsfoutje dat ons na Nieuw Zeeland wel op viel.


XXX
Dinsdag gingen we op weg naar de luchthaven en men had ons netjes vooraf gebeld waar we ons moesten melden. Na de betaling van de opslag- en afhandelingkosten voor Aus$ 157,85 (€ 91,-) kregen wij de documenten mee zodat we ons bij de douane konden melden. Probleem was ook hier weer, net als in Auckland, dat het douanekantoor ruim 2 km verderop lag. Waarom men dit zo doet is ons een raadsel maar voor motor reizigers die het nog zonder hun stalen ros moeten stellen is dit een nachtmerrie. Gelukkig had ik een boek bij me en bleef in de airco ruimte wachten terwijl Martin door de brandende zon naar de douane liep. Gelukkig deed men hier niet moeilijk en in no-time waren de beide carnets gestempeld en vertelde men dat wij de motoren in ontvangst konden nemen. Martin dacht dat hij dit niet goed gehoord had want we hadden vele horror verhalen gehoord over de quarantaine inspecties in Australië met grondige inspecties tegen torenhoge kosten. Dus vroeg hij nog maar eens waar hij zich nu moest melden. Bij navraag antwoorde de douaniër dat we de motoren op konden pikken. De Quarantaine zat in hetzelfde gebouw en om te voorkomen dat hij nog twee keer heen en weer moest lopen belde Martin de agent op. Die vond het verhaal ook wel ongeloofwaardig maar na in de computer gekeken te hebben bleek dat de motoren inderdaad vrij gegeven waren en afgehaald konden worden. Dus toen mijn liefje helemaal bezweet het kantoor in kwam lopen konden we de motoren in ontvangst gaan nemen.
Wij waren in een ander land dan Nieuw-Zeeland aangekomen en dat werd ons direct duidelijk gemaakt. Waar je in Nieuw-Zeeland zo de loods binnenliep waren hier alle ingangen van tralies voorzien en hield een veiligheidsbeambte ons tegen en nam onze papieren mee. Vervolgens konden we naar deur 14 gaan. Na daar even gewacht te hebben ging het rolluik omhoog en bracht een heftruck de pallet met de motoren naar buiten en verdween snel weer alvorens het rolluik omlaag ging. Dus de mouwen maar opgestroopt en mijn technische mannetje kon zijn hart weer ophalen. Onderwijl werden we via een inspectie luikje in de gaten gehouden en zodra de motoren van de pallet af gerold waren ging het rolluik weer net lang genoeg omhoog zodat de heftruck de pallet weer naar binnen kon halen. De accu's werden aangsloten en de motorkleding werd uit de rol gehaald en aangeschoten en voor we het wisten waren we weer onderweg, en het was heerlijk om weer op je eigen motor rond te rijden. Nu kon het feest echt beginnen. Het was een rare dag, want Martin was die dag jarig! Het ergste vond ik nog dat ik 's ochtends geen cadeautje had om te geven. In de weken vooraf aan zijn verjaardag had ik allerlei dingetjes gekocht en goed weggeborgen in de motor, niet wetende dat we de motoren pas dinsdag terug zouden hebben. Dus geen cadeautjes op bed maar (pas) bij de lunch, toch niet slecht de omstandigheden in acht genomen.
In de middag zijn we met de motor van Martin naar het centrum gegaan om bij de RACQ (ANWB) kaarten en een WA-verzekering te kopen, wat niet zo eenvoudig was als gedacht. Toen we bij de motor terug kwamen zat er een bekeuring onder de benzinedop geklemd: Aus$ 60,- (€ 34,50) voor het parkeren op de stoep.. WELKOM IN AUSTRALIË Na de stricte afhandeling bij de loods op de luchthaven was dit al een tweede teken dat het er in Australië toch anders aan toe gaat dan elders. De nummerplaat was wel genoteerd maar aangezien niet bekend is uit welke staat de motor afkomstig was hoeven we niet bang te zijn dat er een factuur hiervoor op onze deurmat valt. Het verzekeren van een motoren viel echter niet mee. Oh ja, genoeg aanbieders maar je moet of een Australisch rijbewijs hebben of een lokaal adres. Uiteindelijk vonden we een verzekerings maatschappij dat ons wel wilde verzekeren waarbij we Wayne's adres als ons adres opgegeven hebben. Omdat we de verzekering per direct wilde laten ingaan was het beter om ons morgen op hen kantoor te melden en direct te betalen.
Voor vandaag hadden we de buit binnen en reden opgetogen terug naar Albion om in het winkelcentrum de inkopen voor die dag te doen. Dus loop je rond in een vreemde stad en vind daar maar eens een echte verjaardagstaart. Datgene wat ik in de winkel zag was goed voor een nachtmerrie en een traumatische ervaring omdat al je tanden uit je mond vallen na het eten van zo'n gebakje. Met wat onderzoek kwam ik al snel aan de weet dat er een Italiaanse bakker in de buurt zat, Joe geheten. Dat bleek een super koekenbakker te zijn en zo aardig. Nee, verjaardagstaarten worden alleen op bestelling gemaakt. Het was reeds rond de klok van drie uur maar Joe haalde zijn hand over zijn hart en zou de taart na werktijd (tussen 19:00 uur en 19:30 uur) langs brengen op weg naar huis. Zo werd het dus toch nog een feestje, beter laat dan nooit! We hadden een hele gezellig verjaardag samen met Charlie & Margorie, Wayne's ouders.

XXX
De volgende dag moesten we dus weer het centrum van Brisbane in en deze keer namen we maar de trein. In het kantoor van de verzekeringmaatschappij was het niet een kwestie van betalen. Motorverzekeringen kon men daar niet afsluiten, dat moest telefonisch gebeuren. Nu kon het ineens niet meer en wanhopig werden we er van. Gelukkig kwam er een balie medewerkster ons te hulp. Zij heette Angela Goossens, haar ouders kwamen uit Nederland, en zij was zeer hulpvaardig. Ze had het al eens eerder gedaan en met wat uitproberen lukte het haar toch om onze polis uit de printer te laten rollen. We waren haar zeer dankbaar en dus konden we eindelijk Brisbane met een gerust hart verlaten en Australië gaan ontdekken, iets waar we heel veel zin in hadden.

XXX
Australië is weer een ander land met andere gebruiken in een andere omgeving. Wat ons direct opviel was het feit dat de mensen hier niet zo agressief rijden als in Nieuw-Zeeland en men zich meer aan de verkeersregels houdt. Onze eerste dag reden we niet zo veel, want we hadden een afspraak met Mark, een vriend van ons die we in Nieuw-Zeeland ontmoet hadden. Hij hield zich momenteel op in de Glass House Mountains waar hij vakantiewerk deed. Mark wilde wel met ons mee naar Cape York rijden. Het was leuk hem weer terug te zien en samen bezochten we de 'Australian Zoo' en de man die hier de vinger in de pap heeft is Steve, de krokodillen man beroemd van zijn documantaires op Discovery Channel. Hij is gespecialiseerd in reptielen en dan vooral slangen en krokodillen. Daar werd ons al snel duidelijk dat Australië een enorm gevaarlijk land is. Je hebt hier de meest giftige spinnen ter wereld alsmede schorpioenen en krokodillen. Verder kun je verdorsten in de Outback... we mogen dus blij zijn als we dit land ooit nog levend verlaten hadden we de indruk. Maar toch hadden we een super leuke dag en we namen alle informatie die gegeven werd mbt. de beet van een slang en de snelheid van een krokodil goed in ons op. Wat we enorm snoezig vonden waren de koala's en ook de kangeroes waren enorm tam. Je kon ze strelen en ze waren vertederend. Wie herinnert zich niet Skippy nog? Als kind leek het me al zo bijzonder om zo'n dier van dichtbij te zien en zie hier.......

XXX
De volgende morgen waren we weer op weg en Mark had een zere kont van de vele kilometers die wij die dag reden. Mark had die morgen nog de post bij vrienden opgehaald en dit bracht een slechte tijding. Een onverwachte belasting aanslag was de reden dat hij zich voorlopig nog op het vakantiewerk moest concentreren en dus zouden onze wegen zich noodgedwongen de volgende morgen al weer scheiden Die nacht sliepen we allemaal bar slecht en de grote roadtrains (trucks hier twee lange aanhangers er achter zich aan, maar later zagen we ze met vier aanhangers; een totale lengte van meer dan 50 meters!) reden onze tent voorbij alsof ze over de haringen reden.
Martin doet dan gewoon zijn oordoppen in, maar ik kan daar niet zo goed mee overweg. Ik verlies ze gedurende de nacht moet de volgende dag de gehele tent doorzoeken om ze terug te vinden en bovendien hoor ik mijn hart kloppen (gelukkig maar). Dus als ik moet kiezen dan kies ik maar om de trucks te horen. De volgende dag waren we wel geradbraakt en het slapen in een tent heeft voor en nadelen. Ik probeer romantisch te blijven denken, maar mijn fantasie had mij in de steek gelaten en ik begon hallicunaties te krijgen en zie dan een lekker bed voor me met een aangrenzende badkamer. Gelukkig hoefde ik die nacht niet te plassen. De camping was een regelrechte nachtmerrie en de dichts bijzijnde wc was het veld met dicht suikerriet. Met misschien wel met een giftige slang als toeschouwer die, zonder dat hij het wist, op de eerste rang bleek te zitten.

XXX
We waren onderweg naar Cairns en we werden steeds depressiever naarmate we verder reden. Omdat ons reistempo niet bijster hoog ligt, om nog wat van de omgeving te kunnen zien rijden we zo'n 90 km/u en proberen de hoofdwegen zo veel mogelijk te mijden. En dat was iets wat ons hier niet lukte. Er was maar één weg naar Cairns en dat was de hoofdweg waar iedereen gebruik van maakte, ook de roadtrains die vlak op je bumper komen rijden. En een grote Mack, waar je maar een klein deel van in je spiegel ziet, is geen pretje. Bovendien heette het de kustweg te zijn maar nergens was er ook maar een stukje blauwe oceaan te zien. Bovendien hadden we een kaart van Queensland bij ons maar zelfs daarop legden we maar 2 cm per uur af en dat schoot dus ook niet echt op. Iedere dag leggen wij tussen de 350 en 400 km af. Je moet voor het donker stoppen want als de zon ondergaat komen de kangeroe's te voorschijn. De meeste voertuigen zijn voorzien van een Bull-bar, itt. onze motoren, en die kunnen het gas er dus op blijven houden. Helaas voor de kangeroe's die op de koplampen afkomen. Al deze dode kangeroe's langs de weg geven een trieste aanblik. Daar waar een krokodillen fokkerij in de buurt is worden de kadavers van de weg gehaald en aan de krododillen gevoerd, op andere plaatsen rotten ze langzaam weg totdat er alleen een skelet over blijft.
In Rockhampton, zorgden we er voor niet weer nabij de hoofdweg te overnachten maar nu bleek 's nachts dat de spoorlijn vlak naast de camping liep. De maat was vol voor ons en we besloten om de kustweg te verlaten en meer landinwaarts naar het noorden te rijden. Het landschap werd veel kariger en we hadden het gevoel in de Outback aangekomen te zijn. Ook was het verkeer hier veel rustiger en dus konden we veel meer genieten. Wij vonden de omgeving absoluut niet saai of troosteloze omgeving. Wel lagen er overal lege bierflessen langs de weg, het visit kaartje van de bewoners van dit land en van hun gewoonten. We probeerden de omgeving wat meer te ontdekken en reden naar de Rubyvale waar robijnen en smaragden gevonden werden. Wat ons opviel was de gemoedelijke sfeer en de eenvoud van de mensen die hier hun bestaan hadden opgebouwd. Een verademing met de gejaagde mentaliteit van de oostkust.
Daar we nog een stuk gravel weg hadden te gaan en er zich donkere wolken voor ons samen pakten hadden we niet veel tijd om te blijven mijmeren. Die dag kregen we een echte Australische regenbui. De lucht werd steeds donkerder en wij steeds stiller. Uiteindelijk gingen de sluizen open en langzaam liepen onze schoenen vol. Als ik iets haat zijn het natte schoenen en helemaal de dag erna als me schoenen nog niet droog blijken te zijn. Op een gegeven moment zag Martin die voor mij reed een kangeroe langs de kant van de weg zitten. We verminderden vaart en in de regen hupten er niet één, maar drie kangeroe's de weg over. Het bewijs dat er toch nog levende kangeroe's in Australië in het wild leven. Tegen het einde van de middag kwamen we aan bij Beyonda Crossing en hier doken we het enige motel in dat er te vinden was. Wat op de kaart aangegeven stond als een plaatsje bleek niet meer te zijn dan een roadhouse, een kleine winkel waar je de dagelijkse boodschappen en benzine kunt krijgen en er kunt overnachten. Onze douche maakte overuren en we waren koud en moe. Het was een wijs besluit om te stoppen.
De volgende ochtend trokken we onze natte sokken weer aan, maar de rest van de natte spullen hadden we aardig droog gekregen. We kwamen op de weg nog een schildpad tegen die blijkbaar levensmoe was en de weg overstak waar oa. roadtrains met grote snelheid overheen denderen. Het was een prachtig exemplaar en het dier was erg gewillig om op de foto te gaan. Daar we hem in veiligheid wilden brengen zou Martin hem wel even optillen. Dit ging niet van harte want het dier had enorme scherpe klauwen. Bovendien ging hij er als een speer vandoor en liet Martin sprakeloos achter want wij hadden nog nooit zo snel een schildpad zien lopen. Hij liep echter weer terug (bij af). Met zijn kop richting het vaste land namen wij afscheid van deze Stoffel de Snelheidsduivel.

XXX
We hadden gelezen over een plaatsje genaamd Ravenswood. Het was een 'ghost town' geweest, waar weer nieuw leven in was geblazen. Het goudzoekersplaatsje was in het begin van de eeuw vol met gelukzoekers geweest en nu stonden er slechts nog enkele oude gebouwen als stille getuigen van wat eens was geweest. De sfeer in het plaatsje was heel relaxt en bij het Imperial Hotel stopten wij voor een kopje koffie.

XXX
De labrador was al snel vriendjes met Martin en draaide haar dikke kont drie keer in het rond. Martin heeft een krachtige hand gekregen van al het gooien van haar bal en zo kreeg ze eindelijk haar broodnodige gymastiek. Op de lokale 'showground' sloegen wij onze tent op. Dit terrein wordt overal voor gebruikt als men in het dorp wat te vieren heeft en anders is het in gebruik als camping. Er stonden enorme bomen omheen en er was enorm veel ruimte. We hadden al snel het gevoel dat we er thuis waren en genoten van de rust die er heerste. We leerden hier Alan & Joy kennen. Niet alleen lieve mensen, maar ook heel erg wijs. Alan vertelde van zijn leven en hij was de 72 jaar nog niet zo lang geleden gepasseerd en hij had veel met de Aboriginals samen gewerkt. Door velen worden deze mensen verguisd, maar Alan sprak met respect over deze mensen. Joy bakte intussen een brood voor ons, aangezien ze in Ravenswoord geen vers brood hadden, en zo hadden we daar de tijd van ons leven. De zon ging onder en het kleine kerkje lag eenzaam in het verlaten landschap te schitteren. Toen werden de vleermuizen wakker die zo groot als roofvogels bleken te zijn en vlogen schreeuwend over ons heen. Gelukkig aten ze alleen fruit dus hadden we niets te vrezen. De dag maakte plaats voor de avond en het land ademde een enorme rust uit. Joy & Alan hadden ons verteld over allerlei gevaarlijke slangen en hoe je rekening met ze kon houden. Die nacht droomde ik dat ik in de hoofdrol van een horrorfilm speelde. Het is dan wel even wennen om op zulke momenten in een tentje te slapen. Alleen een flinterdun stukje doek scheidt je van de dodelijke wereld buiten en je zult deze wereld wel moeten betreden als je er midden in de nacht uit moet om te plassen. Ik zou dan liever de gehele nacht wakker hebben gelegen dan dat ik was gaan plassen. Gelukkig had Martin minder problemen met de boze buiten wereld en moest ook 's nachts plassen, en met mijn ridder samen durfde ik de boze wereld wel aan. Wij bleven twee dagen in Ravenswood en de rust deed wonderen voor ons. We bezochten het museum en enkele oude historisch gebouwen en wierpen vanaf een heuvel een blik op de open mijn en dit alles gaf ons een aardige indruk van de omgeving. In de winkel hadden we een lijst zien hangen waarop je je kon inschrijven als je een afspraak met de Flying Doctors, de lokale huisarts. Ze zouden die middag komen en we zagen het vliegtuig landen. Ze kwamen elke drie - vier weken langs zodat de mensen hier niet voor ieder wisse wasje naar de dokter (kunnen) gaan.
Wij hadden de rust hier in Ravenswood ook broodnodig. Wellicht onbewust hadden we een hele verkeerde verwachting van Australië gehad en was het ons daarom ons zo enrom tegen gevallen. Nu hadden wij een heel ander Australië gezien dat ons veel meer aansprak. Misschien was het land dus nog wel niet zo slecht. Dus met frisse moed gingen we de volgende dag weer verder. Wij besloten om niet de hoofdweg te volgen en dit betekende een 53 km lange gravelweg. Het eerste stuk op je nuchtere maag doet iedere spier samentrekken. Niet alleen hadden we te maken met gravel maar ook met 'corrugation' oftewel een wasbord. Door het voorbij razende verkeer raakt de weg heel fijn geribbeld. Het maakt niet uit met welke snelheid, stapvoets of met 100 km/u, je er overheen rijdt: de motor en berijder worden helemaal fijn getrild. Op een gegeven moment ging mijn GPS uit en één keer is leuk, maar na vijf keer laat je hem gewoon uit staan. Rampspoed komt zelden alleen en de intercom begon ook kuren te vertonen. Vervolgens begon de ABS-lamp te branden en toen Martin vroeg of ik de komplamp uit gedaan had was het feestje echt compleet. Na 18 km wasbord scheed mijn motor er helemaal mee uit. En daar stonden we dan omringd door woestenij en onder het toezicht van enkele koeien in een brandende zon. Er was werk aan de winkel en Martin wist zijn mannetje weer te staan. Door al het geschud bleek de schroef van pluspool van de accu los getrild te zijn. Martin is op zulke momenten heel geduldig en pakte zijn gereedschap en zette mijn motor weer op de rails. Alweer klaar en nu alleen nog het gereedschap terug in de koffer stoppen. Hij bleek de motor niet geheel goed geparkeerd te hebben en terwijl ik de rol optilde zodat Martin de deksel op de koffer kon doen gebeurde het: de motor viel om aangezien de koffer was nog open was werd de gehele inhoud van de koffer in de berm geleegd.

XXX
Ik was helemaal van slag en toen ik bij zinnen was leek het me wel een goed idee om een foto te maken. We hoorden een voertuig aankomen en Martin was een beetje boos dat ik een foto stond te nemen. Dit was niet helemaal terecht van hem en dit vond hij achteraf ook. Met hulp van de automobilist hebben we de motor weer op zijn banden terug gezet en konden we op ons gemak de koffer weer inpakken. Snel de deksel er op en we konden onze de weg vervolgen. Het grappige was dat we vervolgens diverse bordjes langs de kant van de weg tegen kwamen met 'DIP' er op. Nou, wij hadden er wel een paar.
We reden weer terug naar de oostkust en we zagen de omgeving weer veranderen terwijl we naar Townsville reden. Het leek wel of ze hier de stad hadden schoongeveegd want er was bijna geen levende ziel te bekennen. De boulevard zag er ook niet bijster gezellig uit en we reden net zo snel de stad uit als dat we er in gereden waren. Op de 'rest-area' in Blue Water hadden we een plekje voor de nacht uitgezocht maar een vervelende man vond dat hij het recht had om daar te staan. Wij hadden geen zin in een kermis dus gingen we een stuk verderop staan, een heel eind bij die vervelende man vandaan. Onze nieuwe buren waren veel aardiger en bleken ook motorrijders te zijn. Die avond zagen we voor het eerst van ons leven een levende possum. In Nieuw-Zeeland hadden we er al honderden gezien maar die lagen allemaal dood langs de weg. Daar beschouwt men de possum als een pest en worden ze gevangen in vallen en gedood. In Australië zijn ze echter beschermd. Het is een spitzig diertje met grote ogen en hij genoot van een witte boterham die hij gevoerd kreeg zodat wij wat kiekjes van hem konden maken. Fascinerende beesten om te zien!

XXX
Het kamperen is inmiddels een vast ritueel geworden en in de ochtend wacht je tot de zon de tent gedroogd heeft en kun je alles weer inpakken. Bij ons is het niet "Neem je bed op en wandel", maar" Pak je tent in en trap de motor aan". We waren net onderweg toen Martin vlak bij zijn oog door een bij gestoken werd. Hij trok de angel er snel uit en met wat extra aandacht van mij dacht hij dat het wel los zou lopen. Martin had een mooie route door de Tablelands uitgezet, maar we hadden over het hoofd gezien dat een waterkrachtcentrale onze weg zou versperren. Als we de borden in Tully goed hadden gelezen dan was ons een 56 km lange enkele reis bespaard gebleven. Maar dan hadden we ook de enorm mooie tocht langs een rivier en bananen plantages gemist. Deze omgeving deed ons terugdenken aan Indonesi? Die 112 km namen we dus graag op de koop toe, al kwamen wij hierdoor die avond niet in Cairns maar in Mission Beach aan. Wisten jullie trouwens al dat Martin auditie heeft gedaan voor een film? Hij ging voor de hoofdrol in "De Klokkenluider van de Notre Dame". Zijn linkeroog was namelijk door de bijensteek inmiddels zo opgezwollen dat hij hiermee alleen nog door een smal spleetje de wereld in kon kijken. Het oog zag er vreselijk uit, maar aan aandacht van de vrouwen kwam hij niets tekort. Ik was er maar wat druk mee om steeds weer uit te leggen dat hij 'slechts' door een bij was gestoken en ik er dus geen vuist in had gehad. Dit is pas liefde! Ik besloot om alleen inkopen te gaan doen terwijl Martin de tent op zette.
Ik had echter nog steeds moeite met Australië en was er heel erg negatief over, ook over het kamperen. Die nacht werd ik voor de zoveelste keer wakker en nog voor ik mijn mond goed en wel had open getrokken kreeg ik van Martin de wind van voren. Dit was nu eenmaal Australië en anders dan de andere landen die we bezocht hadden, maar bovenal blijkbaar heel anders dan wat ik me (wellicht onbewust) er van had voorgesteld. Martin had gelijk en ik lag nog een hele tijd wakker hierover na te denken. De volgende dag wist ik dat ik mij verwachtingen bij moesten stellen, iets wat Martin al enkele dagen eerder gedaan en gewoon de dingen over mij heen moest laten komen. De Tablelands was een verademing. Het werd er heel heuvelachtig en veel groener, bijna tropisch groen. In Atherton vond ik dat Martin echt even met zijn oog naar een dokter moest en bij in het ziekenhuis werden we na bijna 11/2 uur (hoofdzakelijk wachttijd) met een anti-histamine recept weer weggestuurd. Gelukkig hadden wij onze voorraad aangevuld, want ze werden gegeten als snoepjes. Gelukkig hielp het en na bijna een week was alles weer terug naar normale proporties en dus werd Martin afgekeurd voor zijn auditie.

XXX
We hadden een paar dagen rust nodig om aan ons reisverslag te kunnen werken dus besloten we niet naar Cairns te gaan maar in Yungaburra, een klein plaatsje in de Tablelands, neer te strijken. Dat bleek een hele goede keuze te zijn en na enkele dagen zweet en tranen kon het verslag verstuurd worden. Bovendien namen we de tijd om alle emails op te halen en te versturen. Verder had ik al 7 maanden lang pijn in mijn been. In Auckland was ik ook al hiervoor naar een dokter geweest maar dat had niet echt geholpen. Dorothy verwees mij naar een soort 'bottenkraker' die wonderen moest kunnen verrichten, dus maar eens proberen en een afspraak gemaakt. Ik ging op een tafel liggen en zonder wat te vragen begon de dokter te kneden en te knijpen en vertelde me waar ik overal pijn had. Dat klopte allemaal maar na een 'kneedsessie' van 20 minuten had ik overal pijn, dat alleen maar nog erger werd. Maar ik was hier voor gewaarschuwd en moest nog twee keer terug komen de komende dagen. Na de derde keer voelde ik me veel beter en was alle pijn, waar ik maanden mee gelopen had, verdwenen maar ik werd wel gewaarschuwd om niet meer van mijn motor te vallen; maar dat was ik toch niet van plan.

XXX
De dagen werden ook besteed om de omgeving te bezichtigen. Zo maakten wij een tocht naar de Tinaroo dam en volgden wij de gravelweg om het stuwmeer heen. Het was een rustige weg en daardoor zagen wij er walliby's in het wild en verder was er nog een wild zwijn familie die zonder te kijken voor onze ogen de weg over stak. Eerst ma met tig biggetjes en net toen we verder wilden rijden kwam pa er met een noodvaart achter aan en zo hadden we bijna een varkentje voor het avondeten te pakken. Verder waren er in de omgeving watervallen te vinden waarvan we er menigeen van bezocht hebben. De Zillie Falls vonden wij het mooist, maar dit kwam doordat wij een oranje lint voorbij gelopen waren. Niet dat er wat aan de hand was, maar je kwam bij een deels vervallen uitkijkpunt dat daarom te gevaarlijk was en dus gemakshalve maar was afgezet. Alles hier in Australië is in regels vastgelegd. Het lijkt een beetje op de situatie in de USA. Mensen hoeven niet meer na te denken, dat wordt door de authoriteiten wel voor hen gedaan. En mocht het dan toch fout gaan dan ga je jezelf niet verwijten dat je niet goed nagedacht hebt maar je klaagt gewoon iemand aan. Voor ons, die een tijd in Aziatische landen doorgebracht hebben waar, een hele andere mentaliteit heerst; namelijk dat (bijna) alles mag als je denkt dat het mogelijk is maar als dat niet zo blijkt te zijn moet je stil op je eigen blaren gaan zitten, stelde zo'n oranje lintje niet veel voor.
Na enkele dagen werd het tijd om weer verder te trekken. De weg vanuit Yungaburra richting Cairns is een schitterende weg met wel 200 bochten. Op een motor dus volop genieten! Cairns vonden bij niet echt de moeite waard en na een kopje koffie aan de boulevard waren wij de stad dan ook snel weer uit. Op naar Kuranda wat een leuk uitstapje was omdat we weer terug de bergen in moesten en dat betekende dus weer veel bochtenwerk. Kuranda was een toeristisch plaatsje dat niet veel voor stelde maar alleen de weg erheen vonden we de moeite meer dan waard. Langs de kust reden we verder noordwaarts en voor het eerst zagen we de oceaan vanaf de weg en de goddelijke zandstranden. Er kon er echter niet gezwommen worden ivm. de aanwezige krokodillen die het strand en de zee voor zich opgeëist hadden. We kwamen aan in Port Douglas en maakten ons kwartier in een backpackers hostel. Ik had er al een slechte smaak van in de mond gekregen want onze kamer lag pal naast de keuken en 's avonds was dit tevens de bar. We hadden echter niet veel keus en we hadden en de rest van de middag hebben we besteed om Port Douglas te gaan verkennen waarbij we tot de conclusie kwamen dat wij Port Douglas gezelliger vonden dan Cairns, maar ook hier begon het toerisme al aardig de overhand te krijgen wat zeker de gemoedelijkheid van de plaats niet ten goede komt. Die nacht hadden we problemen om in slaap te komen vanwege de luide 'muziek' uit de bar. We hebben tot middernacht gewacht voordat Martin is gaan klagen maar toen ging de bar ineens dicht. De volgende morgen hebben bij de receptie ons beklag gedaan en of het toeval was weet ik niet maar de volgende nacht was er geen muziek meer te horen.
De volgende dag hadden we een tocht geboekt om te gaan snorkelen op het 'Great Barrier Reef'. Bij het krieken van de dag werden we met een busje opgehaald en snel kozen we het ruime sop. Het weer was zonnig, maar de golven werden al snel steeds hoger. De kapitein van de boot had er flink de sokken in en na 11/2uur kwam de boot bij 'Opal Reef' tot stilstand. Inmiddels had ik een draaiende maag en zwabberende benen gekregen. Maar toch ons helemaal aangekleed (inclusief wetsuits vanwege alle enge stekende gevaren in het water) en snel het water in gedoken. Zodra we onze duikbril in het water hielden ging er een nieuwe wereld voor ons open. Het snorkelen op zich was al een bijzondere ervaring, laat staan in deze schitterende omgeving. De golven waren vrij hoog en ik had al visioenen van snorkels die vol water kwamen te staan wat met de nodige bijbehorende paniek gepaard gaat, maar dat bleek enorm mee te vallen. We hielden elkaars hand vast en bleven maar knijpen om elkaar het vele moois te laten zien dat er op ons pad kwam. Na een klein uurtje rond dobberen klommen we terug aan boord. Ik werd toen pas goed zeeziek en Martin nam deel aan de volgende duik bij het 'Turtle Reef' terwijl ik aan boord bleef (en ik was niet de enige die het te pakken had) en mijn liefje na keek met een emmer bij de hand aan de reling. De vissen waren hier heel groot met enorme zoenlippen. Ik voelde me niet beter worden dus ook de lunch en de derde (en gelukkig de laatste) duik gingen ook aan mij voorbij. Martin genoot inmiddels wel in het water en schoot een heel filmpje vol met een onderwater camera, doch later bleek dat de foto's niet zo super waren. Maar we gingen gelukkig weer terug naar de veilige haven van Port Douglas. De boot ging echter nog steviger te keer en had de stabiliteit van een notedopje midden op de oceaan. Voor velen veranderde de directe omgeving van kleur waarbij de kleuren groen en geel de boventoon voerden. Ook Martin bleef niet bespaard en was naar het bovendek gegaan en kwam me halen omdat het daar beter vertoeven zou zijn. Inderdaad knapte ik er enigszins op maar datzelfde gold niet voor Martin die werd steeds groener en geler. Hij was nu ook zeeziek en onze benen zijn duidelijk niet die van een zeeman, maar dat was niets nieuws. We waren heel opgelucht toen we weer terug op de kade stapten. Voorlopig geen boten meer voor ons!
De volgende dag reden we prins heerlijk op de motor verder noordwaarts naar Cooktown. We moesten met een veerboot de Daintree River over waarin echte grote krokodillen zwommen, we zagen ze welliswaar niet maar de vele borden deden het ergste vrezen. Toen we het regenwoud in reden was het of wij een andere wereld betraden. Het regenwoud hing als een sluier om ons heen en deed ons aan Maleisië terug denken. De weg werd smal en bochtig en de natuur sloot zich als een muur om ons heen. Er waren drie wegen naar Cooktown en wij besloten om de 'Bloomfield Track' te nemen dwars door een natuurreservaat, een weg die alleen geschikt was voor 4WD's. Nadat we het bord voorbij waren en er geen personenauto's meer deel konden nemen aan deze weg waren we op onszelf aangewezen. Het duurde niet lang of de eerste rivier doorwading was daar. Martin nam als eerste rustig polshoogte terwijl een achterop komende 4WD rustig bleef wachten tot dat het zijn beurt was. Martin reed er zonder problemen door heen. Ik kreeg al visioenen dat ik tussen de krokodillen moest zwemmen en Martin nam dus ook mijn motor voor zijn rekening, zodat ik kon kijken hoe het moest. Gelukkig waren er geen krokodillen in de buurt want ik moest natuurlijk wel snel door het water heen lopen. De 'track' bestond hoofdzakelijk uit gravel en voerde ons omhoog tot grote hoogtes en vervolgens diepten die men hier DIPS noemt. We kwamen bij de tweede kleinere rivier doorwading en het was tijd voor mijn vuurdoop.

XXX
Martin praatte me er letterlijk en figuurlijk door heen. Hij zei nog dat ik het gas er op moest houden niet aan de koppeling moest komen en wat deed Muts? Met half ingetrokken koppeling en een enorme stoot gas loeiende ik me door de rivier heen. Maar wel succesvol en bovendien had ik mijn sokken en schoenen droog weten te houden. Ik was best trots op mezelf, maar de adrenaline stroomde wel volop. Je voelt de motor met een enorme weerstand door het water heen gaan. Rivier doorwading nummer drie was breed en groot en de diepte was, door het modderige water, niet goed in te schatten. Je moet jezelf ook niet overvoeren dus deze moest Martin ook twee maal uitvoeren. Martin ging als eerste op zijn eigen motor door heen. Vervolgens had hij problemen met mijn motor. Door de grote stenen in de rivierbedding stuiterde hij naar de rechter kant weg en kwam tussen twee grote keien vast te zitten. Op dat moment dacht ik niet meer aan krokodillen en liep terug het water in om te helpen mijn motor vlot te trekken en zo kwamen we als team beiden met natte sokken en schoenen aan de overzijde. De weg werd zwaarder en op een gegeven moment stond er een bord dat een enorme steile helling omhoog aankondigde. Mijn hart bonkte in mijn hoofd en ik hoorde de ketting flink te keer gaan in de eerste versnelling. Vervolgens kwam er de onvermijdelijke steile afdaling die nog enger was. Maar aangezien Martin altijd zei dat alles een kwestie is van snelheidsbeheersing daalde ik als een slak af maar... zonder over de rand te verdwijnen itt. een oude 4WD die we beneden in de bush zagen liggen. Aan het einde van de track hadden we het toch wel mooi allebei eventjes gedaan en die dag waren we ape trots op elkaar en arriveerden we veilig in Cooktown.

XXX
Cooktown bleek een liefelijk plaatsje te zijn. Doordat er was nog geen verharde weg naar toe leidde hield dit toch nog veel toeristen weg, niet dat wij dit een probleem vonden overigens. We volgden in de sporen van Kapitein James Cook. We hadden besloten om hier enkele dagen te blijven voordat wij verder onze weg naar Cape York vervolgden, zodat we ook tijd hadden om de oude begraafplaats te bezoeken. We hadden een plekje met een grote veranda gevonden die uitkeek over de hoofdstraat zodat we het straatleven in al zijn facetten goed konden volgen. De Aboriginals zagen we op straat onder de bomen hangen. Veel van deze mensen komen uit het gebied rond Hopevale en zijn zwaar aan de alcohol verslaafd. Tegen de tijd dat hun uitkering weer uitbetaald is dan gaan ze walkabout (verlaten hun eigen huis) en leven onder de bomen tot de politie de stad weer eens schoon veegt en een ieder een ritje krijgt naar huis. We hadden erg te doen met deze mensen en we hadden al een hoop gelezen en gezien over deze mensen. De volgende dag kwam ik tijdens een verkenningstocht in kontakt met Linda Rowe, een heel bijzondere vrouw. Zij had een boek geschreven over Cape York en wist veel van het leven op dit schiereiland. Een vriend van haar Willie, een Aboriginal, zou ons de volgende dag mee nemen naar de heilige plaatsen van zijn voorvaderen, middels wat hij noemde: een Gurrbi Tour.
De volgende morgen moesten we vroeg op weg naar Hopevale. De zon scheen al fel aan de hemel en de gravelweg deerde ons niet. Vanaf een brug zagen wij de zon mooi in het water schijnen en even genoten van de lichtspiegeling in het water. Nog even goed gekeken of er geen krokodil model wilde staan voor onze foto, maar volgens ons waren ze elders bij toeristen aan het shoppen. We kwamen nog een walliby, een kleine kangeroe soort, tegen en onverwachts dook er een vrij grote zwarte hond uit het hoge gras voor de wielen van Martin zijn motor op om naar zijn pijpen te happen. Ik zat op dat moment lekker achterop weg te dromen. Ach, grote denkers dromen en grote dromer denken zullen we maar zeggen! Vlak voor Hopevale reden we Willie bijna voorbij. Hij stond op de laadklep van zijn voertuig en wees naar zichzelf. Hij was donker getint met enorm diepe warme ogen. Zijn postuur was gezet en maakte een verzorgde indruk. Zijn handdruk was warm en hartelijk en onze beide werelden ontmoette elkaar op dat moment. Het was nog niet ons echte welkom en we parkeerden de motor bij het huis van zijn zus waar we ons uit onze warme pakken pelden en onze langebroek aanschoten. Met Willies 4WD vertrokken met onbekende bestemming een nauwelijks bereden pad volgend. Willie stopte overal om ons kennis te laten maken met de diverse lokale planten en wat je er mee kon doen (bushtucking). We kwamen bij een vrij open ruimte en hij vroeg ons om de omgeving goed in ons op te nemen maar zei verder niets. We reden een hek door en direct sloten de bomen zich om ons heen. Een enorme diversiteit van flora dat ons deed denken aan een aziatische jungle. We stopten bij een stukje waar een rode ceder stond. Dit is een bijzondere boom met hout dat veel geld waard zou zijn. Wij hadden reeds eerder zo'n boom gezien maar ons hart ging uit naar een andere boom met een heel bijzondere vorm door zijn enorme wortels die zich deels boven gronds bevonden en een frisse groene kleur had. Het bleek een knoeperd van een vijgeboom te zijn. Hier vond ons welkom plaats met het Aboriginal land. Het was een vreemde beleving, want je moest de omgeving voelen en dit deden we. Het waren onze drie harten die zich hier met elkaar verbonden.
Willie vertelde ons veel over de oude historie van de Aboriginal stam en hoe men leefde en recht sprak. Van generatie op generatie werden op deze plek om 3 maanden de stamleden over de normen en waarden verteld en de regels (opnieuw) doorgegeven. Wat ons opviel was de enorme rust die uitging van de man die ons meenam op reis door de wereld van zijn voorouders. Willie vroeg ons de weg naar de auto terug te vinden, maar ik heb het coördinatievermogen van een aardappel en zocht mij een weg door de bomen maar Willie riep mij al snel weer terug. De weg die wij met hem hadden gelopen werd aangegeven middels een geknakt takje. Een oud Aboriginal gebruik en we zagen een grote boom waarvan een grote dikke tak verried dat hij in een heel ver verleden eens geknakt was geweest.
We liepen terug naar de auto en reden verder naar de plaats die heilig is voor deze stam. Met de intrede van de missie en de kerk mochten de Aboriginals niet meer doorgeven wat voor hun de spirituele kant van het leven was. De westerse kerk wist het allemaal beter en veel gebruiken zijn hierdoor verloren gegaan. Op deze heilige plek werden de wetten van de stam gemaakt en diverse hoopjes stenen gaven aan dat er absolute stilte in acht genomen moest worden. Als deze stenen toch eens konden spreken!
De tocht ging verder en het gebied werd ruwer en droger, we kwamen in een heel andere omgeving. Ondanks dat de omgeving er droog en desolaat uit zag bleek dat toch niet zo te zijn. Willie liet ons vele planten zien die zijn stam gebruikte om te eten of om bijvoorbeeld je handen mee te wassen. Martin kreeg wat bladeren en moest ze verkruimelen, met wat water erbij werd het een sopje en werden zijn handen brandschoon. Die dag ontpopte Martin zich verrassend als een bioloog. In de struiken waren de mieren aktief en weefden de bladeren samen. Willie waste zijn handen met een enorme hoeveelheid mieren. Het waren grote mieren met een groen achterlijfje. Zijn handen waren voorzien van heerlijke menthol lucht die goed tegen verkoudheid was. Je kon de mieren ook eten en hij liet ons zien hoe dat in zijn werk ging. Wij hebben ze ook (levend!) gegeten maar het smaakte heel zuur en de bovendien moest je ze snel eten anders gingen ze over je gezicht aan de wandel, wat minder prettig was. Willie had een scherp oog voor de omgeving, niet alleen zag hij alles om zich heen maar wees ons op sporen van een kangeroe, een wild zwijn en een dingo. Het spoor van het zwijn was pas een half uur oud, gelukkig kwamen we die monsters niet tegen. We gingen op ontdekking in een andere wereld. Over het pad liep een boomwortel. De wortel had plekken met een rode kleur. De kleur van bloed en ik vroeg Willie wat het was. Aan de boom zaten stukken uitgekristaliseerd boomsap en hij brak er een stukje van af. Het was donkerrood en het waren een soort kristallen die zich gevormd hadden. Willie nam hier wat van en met een beetje water begon hij zijn handen te wassen. Het rode bloed veranderde in jodium en plakte, goed tegen infecties. De enorme verrassende diversiteit van deze natuur maakte grote indruk op ons.
Toen we bij enkele grotten aankwamen moesten we even wachten en Willie liep door om de geesten te vertellen dat we er aan kwamen. We werden door Willie geroepen en het pad voerde ons door een smalle kloof waar ik mijn ogen goed open hield of ik geen slangen zag. Het was tijd om aan de inwendige mens te denken en Willie had een heerlijke lunch voor ons bereid. We zaten met zijn drieën bij de rotsen en na de lunch werden we meegenomen op een reis door het verleden. De eerste grot was laag en je moest er op je knieën in kruipen. Op de rots waren twee kinderhandjes te zien overdekt met witte verf. Het waren de handen van een kind die door een Aboriginal vrouw was gebaard en door een blanke man was verkracht. In die tijd waren veel Aboriginals als veedrijvers op blanke boerderijen te werk gesteld en de vrouwen moesten voor de blanke 'meesters' werken en werden verkracht. De aboriginal moest zwijgend toezien hoe de eer van hun volk werd aangetast. Toen dit kind het leven zag was het een kind zonder identiteit. De mannen kwamen samen om het lot van het kind te bepalen. De keuze moest gemaakt worden tussen 'het kind aan nemen en laten opgroeien als een Aboriginal' of 'het kind te doden'. Doordat de mannen besloten het kind aan te nemen mocht zij haar hand plaatsen op de rots wat het teken van haar identiteit was. De witte verf is het kleur van de dood en geeft de triestheid van de gebeurtenis aan. Hij vertelde ons dat de les van het leven is om niet achterom te zien. Het verleden is geweest en het heden is hetgene dat telt. Het is belangrijk dat je als mens bij je eigen geest moet blijven. Het leven moet je voelen en als je niet bij jezelf blijft zul je langzaam van binnen wegsterven. Het is belangrijk om te luisteren naar je hart en te weten waar je vandaan komt. Wanneer de mens niet bij zichzelf blijft verliest hij het kontakt met zichzelf en heeft geen respect meer voor zichzelf.
De tweede grot werd gebruikt door vrouwen die zwanger waren en zich voorbereidden op het baren van nieuw leven. In de derde grot zag je een rotstekening van een vrouw en een kind dat net uit de baarmoeder was gekomen. De man stond op zijn kop en dit gaf aan dat een vrouw tijdens het baren geen behoefte heeft aan de man. Degenen die een kind gebaard hebben kunnen hierover meepraten. We kregen van Willie een stukje van een steen dat gebruikt was om de placenta van de moeder en het kind te scheiden. Hij liet ons verder een oude stenen bijl zien die zijn voorouders hadden gebruikt. We hadden erg veel om over na te denken en ik dacht na over dat mensen altijd naar de negatieve kanten van het leven blijven kijken en daardoor voorbij gaan aan de rijkdom die andere harten soms te bieden hebben. Wie herkent het niet als iemand iets verkeerd heeft gedaan door vooral je vinger op de wond te blijven leggen. We hadden een wijze les geleerd deze dag. Het werd tijd om weer terug te lopen en de zon had enorm fel aan de hemel gestaan. Ik had veel te weinig gedronken en Martin had hierover al menig maal flink op me gemopperd.
Ik reed met Willie in de auto naar het Hopevale Community Centrum, terwijl Martin op de motor volgde. Hier hebben we veel Aboriginal-kunst bewonderd en na nog gekocht te hebben namen we afscheid van Hopevale en van Willie. Het was een dag die we nooit zullen vergeten. Het was ongelofelijk hoe open en wijs deze man is. Hij merkte natuurlijk ook wel dat wij open stonden om de Aboriginalkant te horen, iets dat vooral bij blanke Australië rs heel moeilijk blijkt te zijn aangezien zij zo enorm bevooroordeeld zijn. Na ons afscheid had ik een flinke hoofdpijn. Muisstil zat ik achterop bij Martin. De oorzaak was niet alleen dat er zo enorm veel door mijn hoofd spookte maar voral ondat ik veel te weinig gedronken had en tegen een zonnesteek aan bleek te zitten. Maar ja, "Wie niet horen wil moet maar voelen" en dat deed ik zeker zodat ik bij terugkomst in Cooktown direct het bed ben in gedoken.
De volgende dag was mijn hoofdpijn gelukkig al weer verdwenen en was het de dag van ons vertrek naar Cape York. Ik had echter al weken het gevoel dat ik niet naar Cape York moest gaan. Ik had het er vorige dag het er nog even met Willie over gehad en hij had me gezegd naar mijn gevoel te luisteren. Ik vind dit soms heel erg moeilijk omdat ik nog te veel met anderen rekening probeer te houden. Ter afscheid gingen we nog bij Linda langs en toen we bij haar waren deelde zij veel van haar leven met ons. Tessy, haar Duitse herder, was pas door een krokodil gegrepen en ze vertelde hoe zij die dag in haar hart had gevoeld dat ze die plek weg wilde mijden. Ze was toch naar een meer gereden waar ze al heel lang naar toe wilde. Een vriend van haar was mee en wilde persé zwemmen maar haar gevoel zei "Nee", ze wilde daar weg. Dus toch maar niet gaan zwemmen en de hond dronk nog wat bij het water. Het was daar slechts 3 cm diep water. Ze voelde een enorme angst en zei tegen die vriend dat hij daar weg moest gaan. Net toen ze wegliepen kwam er een krokodil uit het water en pakte haar hond. De hond werd gered maar is nog steeds niet hersteld en zou het waarschijnlijk uiteindelijk niet overleven. Haar ogen vulde zich met tranen en mijn hart huilde met haar mee. Door haar verhaal durfde ik eindelijk te zeggen wat ik al weken voelde en dat was dat ik niet naar Cape York wilde. Het hing als een molensteen aan mijn hart en Linda zei te luisteren naar mijn gevoel. Er was een enorme last van me af en Martin en ik besloten te luisteren naar mijn gevoel. We wisten uit ervaring dat mijn gevoel ons niet in de steek liet. We namen afscheid en Linda liet haar sporen in ons beider hart achter.

XXX
We zouden naar Laura rijden via de Battle Camp road, een gravelweg die bij navraag goed begaanbaar bleek. Al snel kwamen we de eerste rivier doorwading tegen en ik weet niet waarom ik van slag raakte, maar ik wilde terug. Martin vond dit maar niets en wilde toch verder. Ik ben door het rode water van de rivier gelopen en wel heel snel vanwege de mogelijk onzichtbare krokodillen! We kwamen veilig aan de overzijde en dit was bleek achteraf het begin te zijn van de weg naar de hel. In het begin viel het nog wel mee, maar het wasbord effect werd steeds heviger en langer. Alles trilde aan ons en aan de motor. Dit werd afgewisseld met stukken mul zand. Niet erg diep maar in zo'n 5 cm diep mul zand is het heel inspannend rijden waarbij de motor alle kanten op gleed. Een paar keer kon ik hem nog net overeind houden en hield ik mijn voeten op de steunen met het gas erop. Martin had me gezegd dat wat er ook gebeurde ik mijn voeten op de pedalen moest houden. Ik zag Martin voor me ploeteren en vechten tegen de hindernissen op de weg. Hij reed door een stuk mul zand dat dieper was en lag met daar lag hij met zijn motor op de grond. Niets ernstigs en al snel stond de motor weer op de benen en had hij mijn motor ook door het slechte stuk gereden. Mijn humeur was echter nog verder gezakt maar inmiddels waren we al over de helft van het traject dus was de korste weg er uit om door te rijden. Ik kan niet weergeven hoe erg deze weg was en alleen ons doorzettingsvermogen hield ons op de been. Op een gegeven moment na 3 km mul zand kon ik mijn motor niet houden en ging ook onderuit. Ik duwde snel de rode dodemansknop in en kroop onder de motor vandaan. Ik kon hem niet alleen overeind krijgen en mijn arme linker koffer lag er weer gehavend bij. Het duurde even voordat Martin bij me was aangezien hij zijn motor niet in het mulle zand kon parkeren en dus moest doorrijden naar stevigere grond. Hij reed mijn motor naar stevigere grond. Mijn koffer werd met een spanband weer aan de motor bevestigd. De 'weg door de hel' was 100 km lang en dan ga ik vlak voor het einde van de weg er nog onderuit. Het is onbeschrijvelijk hoe blij maar ook hoe uitgeput we waren toen we eindelijk in Laura aan kwamen en bij het 'hotel' (niet meer dan een golfplaten schuurtje aangezien het hotel recentelijk afgebrand was) neerstreken. De barman vroeg hoe het met mij ging. Ik barstte bijna in huilen uit, want ik kwam net uit de hel, maar nu hadden we het gevoel in de hemel beland te zijn, mede ook door de overheerlijke koude biertjes die we zonder problemen achterover goten. Het was een dag om nooit meer te vergeten en waarvan je er ook niet te veel van wilt hebben. Het noordpuntje van Cape York was nog meer dan 600 km over soortgelijke wegen en dan moest je ook nog dezelfde weg terug rijden. Dus meer dan 1200 km over hele slechte wegen alleen om op het noordelijkste puntje van het Australische vasteland geweest te zijn... Martin was nu ook helemaal genezen.

XXX
De biertjes kwamen hard aan en jolig zetten we onze tent op achter het 'hotel' naast een tafel en een boom in de schaduw. De onberingen van de dag waren snel vergeten nadat we al ons vuil middels een douche van ons afgespoeld hadden en een nieuwsgierige walliby ons van een afstand gadesloeg. 's Nachts bleken er tientallen walliby's rond de tent te hoppen toen Martin er uit moest en we hebben enorm genoten van dit geweldige moment. Het was een beloning voor alles wat we hadden doorgemaakt.
De volgende ochtend reden we terug naar de verharde weg die echter pas 60 km verderop begon. Volgens de barman waren de eerste 16 km nog slecht maar werd het daarna beter. Er zaten inderdaad slechte stukken tussen maar na gisteren viel het ons nog wel mee en hebben we onze terugkomst op het asfalt gevierd met een heerlijke lunch in het roadhouse. We reden die dag door naar Yungaburra naar een voor ons vertrouwde omgeving om van alle ontberingen bij te komen. Ondanks dat we zo vies waren werden we hartelijk omhelsd door Dorothy en maakte ze snel wat te eten voor ons. We kregen weer een heerlijke kamer en konden de komende dagen onze rust nemen en het thuisfront in kennis stellen van onze belevenissen. De gelegenheid maakt de dief, en ik maakte nog weer een afspraak bij de 'bottenkraker' want hij had inderdaad gelijk gehad: door de val waren er weer wat botjes verschoven.

XXX
Het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan en ondanks alle ontberingen hadden wij enorm van de Outback genoten en na enkele dagen hadden we weer genoeg energie voor nieuwe avonturen. Het plaatsje Chillagoe stond op ons lijstje en was, op 30 km na, per asfalt bereikbaar. Inderdaad ademde het plaatsje de sfeer van de outback uit. Bij de enige winkel in het dorp, dat dus van alles en nog wat verkocht, maakten we onder het genot van een kop koffie onze plan de campagne. Er waren enkele grotten te bezichteigen en een oude smelterij. Voor de grotten moest je vooraf kaartjes kopen dus kochten we ze voor een tour voor de volgende dag. De rest van de dag werd besteed om de oude smelterij, uit het begin van de 19e eeuw, te bezichtigen. Er werd hier werd koper, zink en een klein beetje goud gewonnen. De schoorstenenen en de omgeving zijn hier stille getuigen van de erbarmelijke omstandigheden waaronder de mensen destijds werkten. Ondanks dat er niet heel veel meer van over was was het een indrukwekkend geheel. De volgende morgen brachten we als eerste een bezoek aan de Donna Cave onder leiding van een gids. Hij wees ons op het gezicht in de grot van een Madonna met kind op haar arm. Met je fantasie kwamen we die dag nog heel wat fraais tegen. Het varieerde van geiten tot beren. De grot was goed verlicht en na afloop zijn we eerst terug gegaan om water te halen aangezien de zon fel en meedogenloos was. We brachten nog een bezoek aan Carolyn, die om haar huis de gewonde dieren verpleegte, zodat er kangeroe's rond hopten en er vogels in de voliëre kwetterden. Er was een kangeroe die de hele tijd bij Martin bleef zitten. Ze hadden ook nog een pony maar die mocht niet in de tuin aangezien hij de planten op at.

XXX
's Middags hebben we zelf nog wat grotten onderzocht en zo kwamen we bij de Pompeï-grot uit. Hier was alles een beetje ingestort, maar het was wel uitdagend. Ik bleef wijzelijk rond de uitgang van de grot hangen terwijl mijn Indiana Jones de verste puntjes in de grot verkende. De klok tikte voort en weldra zou de volgende tour plaats vinden. Martin trok het gas aardig open op de gravel en ik zat al te mormelen of het niet wat zachter kon. Ik had visioenen van een heel ander kaliber, want we hadden geen motorkleding aan. De tocht in de Royal Arch Cave was heel bijzonder. We kregen ieder een eigen lampje mee en Danny, onze gids, vertelde veel over de geschiedenis van de grot; eigenlijk een stelsel van verschillende onderling verbonden grotten. De grotten had menig verrassing voor ons in petto en we genoten het meest door op ons eigen tempo in de achterhoede van de groep te lopen. Al met al waren de grotten zeer de moeite waard, maar drie grotten op één dag was meer dan genoeg voor ons en de volgende dag trokken we weer verder.
In goed onderling overleg hadden we besloten om zo'n 70 km over een gravelweg zuidwaarts te rijden om zo ruim 300 km asfalt af te snijden. Dus reden we over de Savanna Highway, let wel niet meer dan een gravelweg. Van Linda en Carolyn had ik geleerd om bij dood gereden walliby's langs de weg te controleren of er geen levend jong in de buidel achter was gebleven. Dus stopte ik regelmatig om de buidel te controleren doch het waren hoofdzakelijk buidelloze mannetjes die aangereden waren. De weg was niet bijster goed doch beter dan de Battle Camp Road, maar de weggestelheid ging achteruit naarmate het aantal gereden kilometers klom. Ik moest dat toch even kwijt door de intercom aan mijn maatje. Die had dat natuurlijk ook al lang gemerkt maar had wijselijk zijn mond gehouden. Vooral het zand baarde mij de meeste zorgen. Maar zonder dat het al te moeilijk werd zwoegden we ons er doorheen en wisten toch nog te genieten van de omgeving. Gedurende de 70 km kwamen we slechts één auto tegen en zagen we één schuurtje. De rest was puur natuur! Toch zag ik uit naar het asfalt en maakte terloops een opmerking dat ik het asfalt zou kussen en natuurlijk werd ik er subtiel aan herinnerd door Martin toen we er waren. Maar we hadden het wel weer samen gedaan.

XXX
We moesten wel 20 km terug rijden om benzine te tanken voor de volgende etappe maar dat hadden we er graag voor over omdat men er ook koffie had en verder heb ik het stof van mijn ketting afgespoeld. De volgende 150 km was er dan ook helemaal niets: geen benzine, geen koffie, geen huisje, niets, niets, niets. In de namiddag kwamen we aan in Mount Surprise. Er was niet meer dan een campground en een benzinepomp (tevens 'supermarkt' en postkantoor) en... uiteraard de onvermijdelijke pub. We hadden nog twee eieren en een pannekoek ging er altijd in, ware het niet dat de koekepan erg aanbakte zodat de pannekoeken er niet uit zagen, maar wel lekker smaakten. Er zat zelfs kaas door, dus tel uit je winst!
De volgende dag hadden we een lange dag te gaan naar Normanton. Over de lange rechte wegen, die overigens absoluut niet saai waren, kwamen we voornamelijk leden van het 'Grijze Leger' tegen, ouderen uit hoofdzakelijk het zuiden van Australië die met een flinke caravan of vouwwagen enkele maanden rond trekken door het noorden om zo de kou van de winter in het zuiden te ontlopen. Duizenden rijden er hiervan rond in het noorden! Tijdens een koffie pauze kwamen wij met een Nederlands stel aan de klets die al 46 jaar in Australië woonden, Ted & To, oorspronkelijk afkomstig uit Brabant. Na een lang en gezellig praatje was het voor ons hoog tijd om verder te rijden wilden we nog voor het donker in Normanton aankomen. Martin gaf subtiel aan hier wel te willen blijven omdat hij moe was, maar dit kreeg ik niet mee, zodat onderweg de bom barstte. Dus de motoren maar aan de kant gezet en de boel uitgepraat. Vervolgens moesten we flink doorrijden want je wilt niet nog rijden als de zon zakt, want dan beginnen de kangeroe's rond te springen en voor je het weet heb je ze voor je motor.
Met Normanton dachten we een grotere plaats bereikt te hebben. Inderdaad was deze plaats met vier pubs en twee 'supermarkten' groter dan andere plaatsen maar nog steeds stelde het niets voor. In het dorp staat een levensgrote replica van een krokodil die in 1957 door een vrouw geschoten is. Echt een knoeperd van een beest in wiens bek je niet graag terecht zou willen komen als snack voor de lekkere trek. De camping was, evenals het dorp, niets bijzonders maar toch hebben we er een rustdag ingelast op een plekje onder een acasia boom. De dag werd besteed aan allerlei kleine karweitjes zoals het smeren van Martins voorwiellager en mijn helm had weer eens kuren met de intercom. Ik was onderwijl druk bezig met de was en het opruimen van de tassen en de tent. Wij kunnen binnen no-time een slagveld in onze tassen aanrichten om vervolgens niets meer terug te kunnen vinden. De lakenzakken konden ook wel een sopje gebruiken en de zon deed de rest van het werk. Gelukkig had de camping een heel verfrissend zwembad waar wij natuurlijk ook gebruik van gemaakt hebben maar pas nadat het werk gedaan was.
De volgende dag verlieten we Normanton en vlak voor eerst volgende huis, het Burke & Wills Roadhouse zo'n 200 km verderop, ontdekte ik dat ik mijn sleutels op de camping had laten liggen. Na een telefoontje had men ze gevonden en ze zouden eerdaags bij het roadhouse afgegeven worden. Ik was nu (nog meer) afhankelijk van Martin. Een opluchting dat ze in ieder geval gevonden waren. Gelukkig hoefden we hier niet op desleutelbos te blijven wachten omdat we een kleine omweg wilden nemen naar Gregory Downs en Lawn Hill Nationaal Park. De weg naar Gregory Downs was een mooie weg omdat de natuur regelmatig veranderde. Wel waren er veel roadtrains die op deze weg reden vanwege een mijn verderop. Voor deze kollossen ging je wel snel aan de kant. De weg bestond uit een enkele rijstrook asfalt met aan weerszijden een brede strook gravel. Bij tegenliggers is het de bedoeling dat beide voertuigen half van het asfalt af gaan maar wij met de motoren hoeven het asfalt niet te verlaten. Nou, bij een roadtrain leer je dat wel snel af: de stofwolk van een roadtrain die het gravel op gaat ontneemt je geruime tijd het zicht en tevens alle rijplezier; bovendien werd je bekogelt met weggeslingerde stenen van de vele passerende wielen. Met een noodgang denderen ze langs je heen en ze stoppen nergens voor getuige de vele dode koeien die we dood langs de weg zagen liggen. Het begon al aan het einde van de middag te geraken en de kangeroe's kwamen te voorschijn langs de weg. Je zag ze met meerderen tegelijk weg hoppen. Een prachtig gezicht maar ik had ze toch liever niet voor mijn wielen, het werd dus tijd om te stoppen. Tevens staken koeien bij schering en inslag de weg over waarbij ze het op een drafje zetten zodra ze mijn motor hoorden. Ze worden hier namelijk wel eens met motoren bijeen gedreven en dus hebben ze het niet zo op motoren, zodat wij geconcentreerd moesten blijven rijden.
In Gregory Downs, hoofdzakelijk een pub en een winkeltje, deden wij onze inkopen en reden door naar de brug waar we in de rivierbedding konden overnachten. Heerlijk in het wild, al waren we hier zeker niet de enigen. Het was een prachtige rivierbedding met kurkbomen en schoon stromend water zonder krokodillen. We maakten kennis met onze buren, Erik & Willie, en we mochten op hun houtfornuisje ons potje koken. Nog nooit hebben wij zo snel ons eten bereid nadat we ergens aan waren gekomen. Bovendien hadden we koffie op de koop toe. Wat een luxe na zo'n lange vermoeiende dag. De zon ging onder en maakte plaats voor de maan die onze tent verlichtte onder een schitterende (letterlijk en figuurlijk) sterrenhemel. Het gekwetter van de vogels was verdwenen en de krekels namen het over. Genietend van de rust kwamen we tot de conclusie dat het hier goed voor ons was uit te houden. We hadden in 6 weken zo'n 5500 km afgelegd en dus was het wel tijd om een pas op de plaats te maken. Bij het ontwaken zagen we de zon door de kruin van de bomen de aarde opwarmen. Vele vogels lieten ons weten dat we moesten ontwaken. De 'Bell Bird' gaf het luidst blijk van zijn aanwezigheid en het beloofde weer een prachtige dag te worden. Geen wonder dan ook dat ons plan om één nacht te blijven gewijzigd werd in drie nachten.

Enige tijd geleden hadden we een reportage op de televisie gezien over Lawn Hill Nationaal Park. Het was 100 km 'achter' Gregory Down en de gravelweg was volgens ingewonnen informatie in goede conditie. Tijd dus om daar ons geluk te gaan beproeven. Nou dat begon slecht aangezien we tot de ontdekking kwamen dat mijn intercom het deels had begeven. Ik kon Martin nog wel horen maar omgekeerd niet, dus bleef die dag mijn stem uit de ether en moest ik trachten met hoofdbewegingen te 'communiceren' wat niet echt vlotjes verliep. Op de camping hadden we geluk en konden we 'nog net' een plekje krijgen. Dat gaf al wel aan dat het er druk was en dat bleek dan ook. Terwijl Martin de oorzaak van het intercom probleem probeerde te lokaliseren was ik aan het koken en dus zat ik met mijn helm op het hoofd al hardop pratend te roeren in het pannetje. De mensen die dit gezien hebben moeten gedacht hebben dat wij twee randdebielen waren. We gingen hondsmoe naar bed en de volgende dag waren we verkwikt en dus was het tijd voor wat actie. We stapten in onze schone bergschoenen en besloten een lange wandeling te gaan maken op zoek naar de 'Upper Gorge'. Het was een schitterende wandeling waarbij we door een sprookjesachtig landschap liepen. Vanaf de top van een kloof hadden we een schitterend uitzicht over de rivier en de kloof en de omgeving gaf ons het gevoel de hoofdrol te spelen in een boek van Old Shatterhand. Ik dacht aan de vele slangen en hield de ogen stevig op het pad voor me gericht. Maar wat anders dan enkele Waterdragons, een soort kleine salamanders, zagen we niet muv. van de vele onvermijdelijke vliegen.
We maakten een aardige klim en vanaf de enorme hoogte hadden wij weer een prachtig uitzicht op de rivier en de steile rotsen die prachtig van kleur waren, deze keer de 'Middle Gorge' geheten. Beneden op het water zagen wij enkele kano's over het water glijden en de mensen waren niet meer dan kleine nietige objecten. We genoten met volle teugen al was ik maar wat blij toen we weer naar beneden gingen waarbij Martin soms zo dicht langs de afgrond liep dat mijn hart sneller begon te kloppen en ik al visioenen kreeg van reddings helikopters. Maar ook deze keer waren die gedachten overbodig al was ik wel blij toen we uiteindelijk weer heel beneden aan kwamen. We liepen langs de rivier en langs de kloof omgeven met palmbomen en de natuur had iets grilligs en tevens iets romantisch. Ik hoef niet te zeggen dat wij volop genoten. Als ik tussen de rotsen door liep dan floot ik een deuntje, iets wat ik van Willie, onze Aboriginalgids, had afgekeken. Stel je eens voor dat er een slang in de weg lag en zo werden ze gewaarschuwd dat ik er aan kwam. Het was een schitterende wandeling maar we waren blij dat we weer terug de camping op liepen.


XXX
Terug bij de tent bleek dat Joe & Rosemarie geariveerd waren, die we ook hadden leren kennen in de rivierbedding van Gregory Downs, dus de rest van de dag zijn we druk pratend met hun gezelschap doorgekomen. De volgende dag zijn we met z'n vieren op avontuur gegaan. Weer gingen we de beide kloven verkennen, alleen deze keer per kano. Het was een prachtige dag en al was de lucht niet helemaal strak blauw, voor ons was het perfect weer voor een avontuurtje. Martin ging samen met Joe in een kano omdat Joe aan zijn schouders geopereerd was en niet in staat was om echt te roeien en Rosemarie en ik een tweede kano. Ik mocht voor in zitten en dus was Rosemarie de stuurman... en dat heb ik geweten! Onze kano ging in het begin alle kanten op behalve de goede en het duurde even voor we de juiste slag te pakken hadden. Het was een geweldige ervaring om in zo'n mooie omgeving te mogen ronddobberen. We voeren door de 'Middle Gorge' heen en bij een klein watervalletje droegen we de kano's om de waterval heen. Met een verenigd teamwork lieten we de kano's vervolgens weer te water voorbij de waterval. Toch was vervolgens de omgeving heel anders, met veel groenere oevers. Na door de 'Upper Gorge' gevaren te hebben moesten we dezelfde weg weer terug. Onder de waterval lag een zwarte python zich op te warmen in de zon net boven de waterspiegel. Het was prachtig dit dier zo in z'n natuurlijke omgeving te zien liggen. Op een stronk zagen we ook nog een zonaanbiddende schildpad die in het water verdween toen we de camera grepen. Mijn ogen stonden op scherp en ik zag aan de oever een zoetwater krokodil. Deze is, in tegenstelling tot de zoutwater krokodil, niet aggressief (behalve in het broedseizoen). Dit exemplaar lag zich op te warmen in de zon en wij konden er van dichtbij volop van genieten. Deze momenten zijn mooier dan welke krokodil in welke dierentuin dan ook omdat we deze in de wilde natuur tegen komen. Rosemarie maakte de kano trip extra smeuïg door haar balans te verliezen bij het uitstappen en tot haar kruis nat te worden. Joe gedroeg zich als een echte gentleman door eerst te vragen of de camera niet nat geworden was.
Na de lunch gingen Rosemarie & Joe terug naar de rivierbedding van Gregory Downs waar wij de volgende dag ook naar terug zouden keren. Dus reden we dezelfde weg terug over de gravel weg met als enige verschil dat ik Martin van spoor zag veranderen en deze keer ging dit gepaard met veel spectakel doordat hij veel moeite had om zijn stalen ros overeind te houden. Hij gleed de berm in maar wist zich staande te houden. Op zulke momenten zie ik dat voor mij afspelen en wist ik dus wat mij te doen stond: gewoon recht vooruit blijven rijden en het gas erop houden.
Terug in de rivierbedding van Gregory Downs werden we heel hartelijk welkom geheten. We werden omhelsd en geknuffeld en ons oude plekje was reeds voor ons gereserveerd middels een paal met een bordje erop: "This place is reserved for Jeannette and Martin. Signed by the residents of The Gregory Riverbed" waar we erg om moesten lachen.

XXX
Nadat we de tent hadden opgezet was het tijd om, onder het genot van een kopje koffie, alle verhalen bij te praten. Joe had onderwijl het water voor een heerlijke warme douche op een houtvuurtje opgewarmd en tegenspreken had geen zin. Rosemarie's wil was deze keer wet en zo stond ik even later met mijn tasje met badschuim en schone kleren bij hun douchehokje. Het zal duidelijk zijn hoeveel ik van deze warme douche genoot, het is niet te beschrijven hoe dankbaar ik hen hiervoor was. Het duurde even voor ik al het rode stof van mijn snoet had gepoetst. En Martin? Die dook gewoon de koude rivier in. Het nadeel was dat de rivier zoveel mineralen bevatte dat je huid er door uitdroogde. Martin kreeg hierdoor last van een diepe kloof in zijn voet, maar met een Labello stick werd de pijn verzacht.
Dat we er een gezellige tijd hadden werd duidelijk doordat we met z'n allen aan de wekelijkse door Murrey, de lokale kruidenier, georganiseerde 'Wijn en kaas' avond deel te nemen. Als een ieder voor zijn eigen wijn zorgde, zorgde Murrey voor de kaas en de toast. Er kwamen veel mensen opdagen maar de meesten vertrokken weer toen de kaas en toast op was. Met een kleine groep bleven we 'nadrinken'. Willie en Erik waren na een enkele glazen wijn al flink kacheltje en toen het uur van de waarheid aanbrak en we naar huis wilden zei Willie dat ze "Piss like a parrot" was. Voor de grap bood Murrey zijn kruiwagen aan. Onder luid gelach werd dit afgewezen maar toen ze op stond en niet meer op haar benen bleek te kunnen staan werd de kruiwagen alsnog voorgereden. Willie liet zich er gewillig in zakken terwijl Martin haar zetel middels zijn fleece onder haar hoofd comfortabel maakte en haar naar de rivierbedding terug reed. Ik hield ondertussen Eriks hand vast zodat hij niet in de rivier zou vallen als we de brug over gingen. Het mooiste was dat wij onze camera bij ons hadden en mooie foto's van Willie hebben genomen die ondertussen de maan aan het bezingen was. We hebben zo enorm gelachen dat ik letterlijk in mijn broek geplast heb van het lachen; en dat was wat minder. De volgende dag werd vooral Willie wakker met een flinke kater en kon zich niets van het 'kruiwagen incident' herinneren. Martin had intussen de kruiwagen in alle vroegte terug naar Murrey gebracht zodat alleen de foto's over bleven. Willie had nog enkele dagen het gevoel dat zij op zee was en voelde zich groen en geel van ellende. Zo heeft alles in het leven zijn prijs.
Wij waren niet de enigen die langer in de rivierbedding bleven hangen. Het was er zo gezellig dat iedereen er last van had. Bovendien stonden er het komend weekend een groots evenement op het programma... en dus bleven we nog langer. Het evenement was de jaarlijkse 'Camp Draft'. voor de lokale cowboys, in Australië 'ringers' of 'stockmen' genaamd. Een beginneling wordt 'ringer' genoemd en als men de kunst goed afgekeken heeft en de nodige vaardigheden bezitten wordt men 'stockman' genoemd. Samen met de vaardigheden van een 'stockman' komen dan echter ook de verantwoordelijkheden. De bedoeling van de 'Camp Draft' is om een kalf van de rest van de kudde te scheiden en het vervolgens het kalf (tussen de 18 maanden en 2 jaar oud) een vooraf vastgesteld parcours proberen te laten rennen door ze op de juiste manier op te drijven. Dit vergt een uiterste concentratie en samenwerking van de ringer (of stockman) en zijn paard. Het gaat er niet om wie het sterkste is. We zagen jongens met veel bombarie de ring in rijden en snel een kalf af scheiden. De paniek slaat dan vervolgens in de kudde en er is dan absoluut niets meer mee te beginnen en is zijn poging is tot een fiasco gedoemd. Een goede ruiter rijdt rustig de ring in en bekijkt elk kalf in de ring. Hij beslist vervolgens welk kalf hij wil gaan afscheiden en mag dit niet meer wijzigen. Ik vroeg een stockman waar men bij het rondkijken op let? Men let voornamelijk op de ogen van de dieren en een ervaren ruiter kan in de ogen lezen hoe 'opgefokt' de kalveren zijn en kiezen de rustigste uit, ze kijken dus naar de poppetjes in hun ogen.

XXX
Als het kalf gescheiden is wordt op het commando van de ruiter het hek van de kraal geopend en stuift het kalf de grote ring in en probeert de ruiter samen met zijn paard het kalf het juiste parcours af te laten leggen. Degene die het kalf het parcours in de snelste tijd af laat leggen is de winnaar en kan het prijzengeld van Aus$ 200,- tot 500,- (€ 115,- tot 290,- ) in ontvangst nemen. Natuurlijk is er onderling veel rivaliteit en deze 'Camp Draft' was één van een hele serie. Wij hebben er enorm veel foto's genomen en het was moeilijk om een mooie actie foto te nemen omdat alles zo snel gaat. Voor ons was dit een heel speciaal evenement dat we niet hadden willen missen en het bleek heel wat moeilijker te zijn dan het in het in eerste instantie leek. Bovendien konden wij op deze wijze nader kennis maken met de lokale bevolking. Enig minpuntje was dat ik tijdens alle actie ineens tot de ontdekking kwam mijn dat ik mijn zonnebril kwijt was. Met alle stofwolken was deze wellicht al snel onder het stof verdwenen dus onze zoektocht bleef vruchteloos.
Voor ons werd de dag afgesloten met een gezamelijke maaltijd waar iedereen bij aan kon schuiven. De vrouwenvereniging had de maaltijd gemaakt waarbij ieder lid een eigen gemaakte schotel meegebracht. Met de nodige coördinatie heb je dan alle gangen van soep tot desert. Bovendien was dit voor ons de ultieme gelegenheid om de australische 'outback' keukengerechten uit te proberen. En dat smaakte wel. Bovendien zaten we tussen de lokalen. Tegenover ons zat een stel dat een 'homestead' (boerderij) runde en hij had ook aan de 'Camp Draft' mee gedaan en wist ons nog veel er over te vertellen.
We zouden de volgende dag eindelijk weer eens verder gaan zodat we diezelfde avond nog afscheid namen van twee lokale bewoners die ons dierbaar waren geworden: Murrey en Colleen, de kruidenier en de onderwijzeres. We vertrokken 's ochtends, na afscheid van Joe & Rosemarie genomen te hebben, vanuit de rivierbedding. Willie & Erik reisden met ons op en iedere keer als we hun bus langs de weg zagen staan betekende dat er daar koffie op ons wachtte. Bij het Burke & Wills Roadhouse was ik zeer opgelucht om mijn sleutels weer in ontvangst te kunnen nemen.
Die dag eindigde onze rit zo'n 78 km voor Cloncurry waar Willie & Erik ons al op stonden te wachten op een 'rest-area'. Hier was geen toilet en water aanwezig (doch wel een BBQ!) maar die avond zagen we een prachtige zonsondergang zoals je die alleen in de outback kunt hebben. We doken stinkend en vies onze slaapzak in. "Oh, what a night!" Ik had het enorm koud zodat Martin zijn fleece aan mij gaf die ik snel heb aangetrokken. Ik was echte al koud tot op het bot en heb die nacht heel slecht geslapen. Maar wetende dat de laatste loodjes het zwaarst zijn en Cloncurry lonkte was het geen probleem om de volgende dag weer verder te gaan. Onderweg zagen we veel aangereden dode koeien langs de weg. Of beter gezegd, wij roken ze reeds ruim voordat we ze zagen.
In de loop van de ochtend reden we Cloncurry binnen, wat een gemoedelijk plaatsje was waar wij ons wel thuis voelden zodat wij besloten hier enkele dagen te blijven. Willie & Erik deelden onze mening en bleven enkele dagen op een camping staan. Wij verkozen echter een motel boven een camping. Zo konden we ons letterlijk schoon boenen en zagen dat het water zwart van ons en van onze kleren af liep. Ook konden we in de bibliotheek weer eens wat van ons laten horen en we genoten van alle emails, vooral van de foto's van de kinderen. Op zo'n moment besef je pas eigenlijk hoe ver weg je van iedereen vandaan zit. We sliepen de eerste nacht erg onrustig in een bed waar we zo lang naar uit hadden gekeken. Maar de volgende nachten waren we er al aan gewend.
Cloncurry is de plaats waar de RFDS (Royal Flying Doctor Services) is opgericht en we maakten van de gelegenheid gebruik om het museum te bezoeken. John Flynn, de oprichter, was een lovenswaardig man. Een dominee die zonder aanzien des persoon werkte en vanuit zijn naastenliefde vertegenwoordigde hij zijn kerk middels zijn daden. Zijn ideaal was om het isolement van mensen in de outback te doorbreken, iets waarin hij uitstekend geslaagd is ondanks dat het niet eenvoudig was in de beginjaren.
In Cloncurry leek het of de tijd lang heeft stil gestaan en daarom hielden wij van deze plaats. De bedoeling was om een paar dagen tot onszelf te komen, maar vanwege de lawaaierige pubs konden wij niet echt goed slapen en dus besloten om weer verder te trekken.

XXX
Van Joe & Rosemarie hadden we een heel mooi plekje bij een water reservoir gekregen en het bleek een genot te zijn om hier een nachtje neer te strijken. We genoten er van de enorme rust die er heerste en bovendien hadden we er een prachtig uitzicht over het water met zijn vele watervogels. De pelikanen dobberden in het water en samen met een magische ondergaande zon ademde het geheel een sprookjesachtige sfeer uit. Een kangeroe stak ook nog nieuwsgierig zijn kop omhoog en sloeg ons vanaf de overzijde van het meer nauwkeurig gade. De weg verder naar Mount Isa was een schitterende weg door de heuvels en we genoten met volle teugen van de rotsachtige omgeving. Mount Isa deed ons denken aan een erg smerige en ongezellige plaats dat alleen goed is om te tanken en vervolgens direct weer te verlaten. We reden die dag door naar Camooweal aan de grens met de Northern Territory, vanwaar er nieuwe avonturen op ons zouden wachten!

XXX
Het beste stuk van Queensland was toch wel de outback. De uitgestrektheid is er overweldigend; er is heel veel van niets! Je rijdt 250 km of meer tussen twee roadhouses met daar tussen absoluut niets, behalve heel veel boompjes, struiken, graspollen en stenen. Door deze grote 'leegte' is het gemakkelijk om een toilet te vinden wat wel een enorme zegen is. Een toiletpot is daar een niet aanwezig stuk luxe waar we alleen maar van kunnen dromen. Martin gedraagt zich dan als een hond door gewoon de eerste de beste boom op te zoeken en dat tot zijn territorium te markeren. Ik sta altijd in dubio: loop ik ver de bush in om zo niet vanaf de weg zichtbaar te zijn of laat ik de angst voor slangen, die je in het gras kunnen zitten, overheersen. Meestal draait het uit op dat laatste, aangezien de wegen toch niet zo druk bereden worden. Maar ik kan heel snel mijn broek ophijsen als er dan toch wat aan komt! 's Nachts is het een ander verhaal als ik moest plassen maar ook hier heb ik al wat op gevonden. Ik schud Martin gewoon wakker en vraag dan subtiel of hij ook niet moet plassen. Hij weet dan al hoe laat het is en durft niet meer te ontkennen. Dus mijn vraag "Slaap je nog?" is meer een aankondiging dat ik moet plassen dan een echte vraag. Maar als we dan samen onder de sterrenhemel liepen, soms in het licht van de maan de bush in dan was hij alles al weer vergeten; romantiek ten top.
Slangen en krokodillen boezemen mij een grote angst in maar vaak heb je gelukkig niet met ze te maken. Anders ligt dit voor...VLIEGEN. Echt, ik krijg moordneigingen van die kleine opdringerige beesten. Ze zijn letterlijk niet bij je weg te slaan waardoor de 'nationale groet' in Australië een zwaai voor je hoofd langs is. Ze vliegen dan op en landen weer op dezelfde plek zodra je hand voorbij is. Ze kruipen in je ogen, neus en oren dat je er gek van wordt. Ik heb er zelfs al eentje per ongeluk ingeslikt en de gedachte er alleen al aan deed me bijna doen overgeven. We hebben wel gaasnetjes maar die helpen slechts gedeeltelijk zodat je er soms wanhopig van wordt.
Toch waren we ondanks alle gevaren blij dat we Queensland overleeft hadden en de grens over trokken om de Northern Territory te mogen gaan bezoeken.